OVERDENKING
Tussen het carnavalslied van André van Duin ‘de balletjes van de Koningin, die gaan erin, erin, erin’ en de psalm ‘Gods goedheid houdt ons gaande’ gaapt een wereld van verschil.
Tussen de Thermos sauna en “’t Hijgend hert, der jacht ontkomen” ook,
tenzij je zelf ternauwernood aan een van de jagers ontsnapt bent.
Leven we in twee werelden? Of komen in ons leven die twee werelden samen?
Wie van jullie heeft een moeizame coming out gehad?
Het overkwam mij als eerstejaars student in Amsterdam dat mijn moeder had besloten uit Groningen naar Amsterdam te komen voor de verjaardag van een tante.
Ze had al om negen uur bij mij voor een dichte deur gestaan.
Ik had de nacht ergens anders doorgebracht.
Toen ik niet bij mijn tante bleek te zijn, begon zij een en ander te combineren:
het gezelschap mannen met wie ik een week eerder mijn verjaardag had gevierd en dat ze niet goed had kunnen thuisbrengen, dat ik die ochtend niet thuis was, terwijl het dagblad Trouw nog op de trap lag.
Ik kreeg een brief. Ze schreef me elke zondagavond. Ik had geen telefoon. Ze beschreef de kerkdiensten die ze had bezocht, twee natuurlijk. En het weer. En toen stond er opeens die zin: ‘Ben jij homo, Cor?’ Ze zal nog wel het woord ‘homofiel’ hebben gebruikt.
Maar haar conclusie was: ‘Als God jou zo gemaakt heeft, moet Hij daar zijn bedoeling mee hebben gehad.’
Een wereld van verschil tussen Gods bedoeling en ‘Je komt het huis niet meer in’, want de verhalen met die strekking heb ik in mijn pastorale praktijk vaak genoeg gehoord.
In de L’HOMO, een speciale editie van het blad LINDA, waar domineeszoon en EO-coryfee Arie Boomsma zijn lichaam etaleert, komen ook bouwvakkers aan het woord over hun coming out. Je wordt er niet echt vrolijk van. En dan gaat het om gewone Nederlanders.
Ik kom nu de verhalen tegen van Latijns-Amerikaanse en Afrikaanse mannen. Hun worsteling om te mogen zijn wie ze zijn.
Mag je zijn wie je bent? Als je bij je familie niet mag thuiskomen, is er dan een plek waar dat wel kan?
Ik heb voor vandaag twee lezingen gekozen waarvan de onderlinge samenhang niet op voorhand duidelijk is. Eigenlijk had er nog een derde lezing bij moeten zijn, uit Deuteronomium (23).
Daar staat dat er voor aan de geslachtdelen beschadigde mannen geen plek is in de gemeente van de Heer. Voor ‘ontmanden’ geen plaats. De nieuwe vertaling is wel erg plastisch: ‘Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, mogen niet deelnemen aan de dienst van de Heer.’
Dat was kennelijk een teken dat ze deel uitmaakten van een heidense cultus en daarmee een gevaar waren voor de godsdienst en de cultuur van het volk Israël.
‘Ontmanden’ waren van de andere kant, van de verkeerde kant.
Godsdienst kan hard zijn, kan mensen uitsluiten.
We komen dat niet alleen tegen in de islamitische traditie, maar net zo goed in de christelijke. Misschien zijn sommigen van jullie op dat punt wel de ervaringsdeskundigen.
En de samenleving kan hard zijn. Homoseksualiteit is in veel Afrikaanse landen onbespreekbaar. Volgens een minister van Kenia telde het land maar één homo en die zat in de gevangenis.
Toen ik daar vorig jaar was, werd ik in Kisumu voorgesteld aan een groep jongens die in de prostitutie werkzaam waren, als een pastor die in Amsterdam werkt voor mensen aan de onderkant van de samenleving.
Zo’n dertig jongens die, toen de begeleider even weg was, best wel open waren over hun situatie. Sommigen deden het niet alleen voor het plezier, maar ook vanwege het geld.
Ze hadden zich georganiseerd in een groep die om gelijkwaardige behandeling vroeg in het ziekenhuis bijvoorbeeld. Want daar werden soms gewoon weggestuurd als bekend werd dat hun medische klachten gerelateerd waren aan het beroep dat ze uitoefenden.
Leven in twee werelden, de wereld van de ontkenning en de wereld van de herkenning.
Mag je ergens thuis zijn, je gekend weten?
In het Bijbelboek Deuteronomium loog het er niet om: géén plaats. Nu niet, nooit niet.
En dan blijkt er in de profetie van Jesaja opeens ruimte te komen. Laat de ontmande, de eunuch, niet zeggen, zie ik ben maar een dorre boom, ik heb geen kinderen die mijn naam dragen, die mijn naam verder leven. Ik, zegt de Eeuwige, wie vasthoudt aan mijn verbond, die geef ik een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad, die geef ik een eeuwige naam.
In de bijbel zit beweging. Dat wordt nog duidelijker als in het boek van de Handelingen der Apostelen wordt beschreven hoe gaandeweg de christelijke gemeente wordt opgebouwd.
Filippus, een van de leerlingen van Jezus, komt op de weg van een man uit Ethiopië, een belangrijke hoffunctionaris, die in de Tenach verdiept is in een tekst die hij niet goed kan plaatsen: ‘Hij werd vernederd en hem werd geen recht gedaan, wie zal van zijn nakomelingen verhalen?’
Riep het herkenning op? Voelde deze man zich vanwege zijn geschonden staat als eunuch, als ontmande, ook vernederd, geen recht gedaan, zonder nakomelingen?
(Wat kunnen mensen in de Bijbel en bij ons soms gebukt gaan onder het feit dat ze geen kinderen hebben)
Filippus legt hem aan de hand van de tekst het goede nieuws, het evangelie, van Jezus uit:
Je mag zijn wie je bent.
In het boek Handelingen is de eunuch uit Ethiopië de eerste vreemdeling die tot christen wordt gedoopt, omdat niets dat in de weg staat.
Er zijn plekken voor de dienst aan de Heer, huizen van God en de mensen, waar je mag zijn wie je bent. Het zijn plekken waar mensen oog hebben voor elkaar, waar gezongen wordt:
‘Laat al wie zijn gebonden,
vervolgd, verdrukt, geschonden
Bij ons zich veilig weten.
Maak ons aan U gelijk,
Christus naar wie wij heten –
Voorboden van uw rijk.’
Het hoeven niet per se ‘godshuizen’ te zijn, het mogen ook ‘gewone’ huizen zijn waar gastvrijheid wordt geboden, de maaltijd wordt genoten, de liefde wordt gevierd.
Ik werk in het Wereldhuis, een project van de Protestantse Diaconie van Amsterdam voor mensen die ongedocumenteerd zijn.
Mensen overal vandaan, uit zo’n veertig verschillende landen, van Ghana tot Oeganda, van Birma tot Zuid-Ossetië. In het Wereldhuis zijn ze welkom.
Een van hen is Rabih. Hij is in de Paasnacht tot christen gedoopt. Gerson Gilhuis, als protestantse dominee verbonden aan het Drugspastoraat, en ik waren zijn peters.
Ik ken Rabih al een jaar of wat. Hij is geboren in Amsterdam en woonde met zijn ouders in Oost.
Toen er in huis brand uitbrak, besloten zijn ouders om met hun kinderen terug te gaan naar hun geboorteland Marokko. Rabih zelf kwam op een gegeven moment terug naar Nederland. ‘Illegaal’. Want zo heet je als je niks hebt om een verblijfstitel aan te ontlenen. Er helpt geen lieve moeder aan om je tot Nederlander te maken. De wet schrijft nu eenmaal andere regels dan de liefde. Ook als je meer van Nederland houdt dan van Marokko.
Hij viel in verkeerde handen. Omdat hij geen dak boven zijn hoofd had, geen hand die hem voedde, viel hij terug. Op mensen die hem verleidden tot verkeerde dingen.
Noem het maar een bende in Nieuw-West. Marokkaanse jongeren die het niet zo nauw namen met mijn en dijn.
Hij werd ‘meeloper’. Niet van harte. Maar als hij niet horen wilde, moest hij voelen.
Ooit werd hij vastgebonden aan een lantaarnpaal en gemarteld. Hij was betrokken bij een straatroof. Schuldig bevonden, niet omdat hij dader was of handlanger, maar een toeschouwer die niet ingreep.
Hoeveel mensen zijn niet toeschouwer van een gebeurtenis waarbij ze hadden kunnen ingrijpen? Wie durft het aan om held te zijn? Hij heeft er voor moeten boeten. Eigen schuld? Domme pech? Hoe velen die het hoofd hebben afgewend, zijn niet vrijuit gegaan? Stom geluk?
Rabih weet soms niet goed wie hij is. Is hij een Marokkaan? Volgens de Marokkaanse en Nederlandse wetgeving is een kind van Marokkaanse ouders ook Marokkaan.
Maar Rabih heeft daar niet om gevraagd. Hij is vóór alles Amsterdammer (van geboorte) en Nederlander (van gevoel).
Hij voelt zich geen moslim, want die godsdienst vereenzelvigt hij met Marokkanen met dat K-woord. En die hebben hem, ooit, het leven zuur gemaakt.
Hij is erg ‘op Jezus’. En hij had een groot verlangen om ‘bij Jezus te horen’, gedoopt te worden. Dat gaat niet op slag en stoot.
Vroeger had ik een wijze collega, die wel eens een jongen, bij wie ook het verlangen sterk aanwezig was om gedoopt te worden, mee had genomen naar de kapel van het Begijnhof, water uit het doopbekken had genomen en hem had gedoopt, met de woorden ‘ik doop jou tot christen’.
Maar dat is een uitzondering. Christen word je niet zomaar. Christen zijn is sowieso ‘(christen) aan het worden zijn’, moet Maarten Luther ooit geschreven hebben.
Christenen blijven ‘mensen van de weg’, er is geen finish, het gaat maar door.
Vanwege zijn belangstelling voor Jezus en zijn verlangen naar ‘doping’ volgde Rabih een ‘alpha cursus’ die in een katholieke kerk in Amsterdam werd gegeven.
Hij wilde graag een bijbel. Hij kreeg een zakbijbeltje dat mijn eerste partner ooit van mijn moeder had gekregen. Hij las er dagelijks in, vroeg wat de verhalen betekenden.
Hij maakte zich verdienstelijk als vrijwilliger in een inloophuis en in een verpleegtehuis.
Hij wilde zich zo graag verdienstelijk maken, zichzelf bewijzen dat hij geen Marokkaan met de K-kwalificatie was.
Hij was een van de vele duizenden geillegaliseerden die Amsterdam telt. Hoeveel?
Sommigen schatten het aantal op vijftienduizend; oud-burgemeester Ed van Thijn noemt een getal van zestigduizend.
De meesten blijven buiten beeld, zijn onbekend in statistieken, ongekend bij de doorsnee-burger. Toch maken ze wellicht acht procent uit van de bevolking van Amsterdam, één op de twaalf voorbijgangers.
Toen bij een politiecontrole een keer ontdekt werd dat hij geen verblijfsstatus had, kwam hem dat op vreemdelingenbewaring te staan.
Bijna dertien maanden verbleef hij op de detentieboot in Zaandam. Hij maakte tekeningen. Van bewakers, van medegedetineerden, maar vooral van Bijbelverhalen. Jacob bij de Jabbok, de Samaritaanse vrouw bij de bron, de kruisweg. Een aantal tekeningen is opgenomen in de jaaragenda die de geestelijke verzorging aan gedetineerden uitreikt.
Ook op de detentieboot stak hij zijn nieuwe geloofsvoorkeur niet onder stoelen of banken.
Dat zette regelmatig kwaad bloed bij andere Marokkaanse gedetineerden.
Het leidde tot een vechtpartij met een van hen, die hij nog kende uit het circuit waar hij zich zoveel jaar geleden aan had trachten te onttrekken. Hij liep in detentie forse klappen op. Vlak voor het eind van 2008 kwam werd hij op bevel van de rechter uit vreemdelingenbewaring ontslagen. Er was geen kans op uitzetting. Er was geen land van terugkeer. Wat wil je ook: het land van zijn herkomst is Nederland.
Onlangs kwam hij tegen wil en dank opnieuw oog in oog te staan met dezelfde man die hem op de detentieboot in elkaar had geslagen. Ook die was kennelijk weer vrijgekomen.
De man was niet alleen. Hij had zeker drie andere kornuiten bij zich die hem op klaarlichte dag op het Mercatorplein probeerden te ontvoeren. Hij werd geschopt en met een mes een aantal keren gestoken; een oog werd net niet geraakt.
En de omstanders keken toe…
Een aantal malen riep hij toeschouwers op de politie te bellen. Het politiebureau bevond zich aan de overkant van het plein. Niemand stak een hand uit. Het was ‘Witte Donderdag’.
In de Paaswake is Rabih gedoopt. Rabih Thomas heet hij voortaan.
Die van de gelovige twijfelaar, die eerst wil zien en dan geloven.
Maar als hij Jezus heeft aangeraakt, met de wonden in zijn handen en zijn zij, dan is hij verkocht. Dan is de ‘oude’ wereld niet meer van belang, maar de wereld van ‘je mag zijn wie je bent’. Dat is een wereld van verschil.