OVERDENKING
In de kranten wordt regelmatig aandacht besteed aan allerlei ontwikkelingen op medisch gebied. Vorig jaar was aan de orde dat het mogelijk was om de vrucht in de moederschoot te opereren. Dat het mogelijk was om cellen te kweken die gebruikt kunnen worden voor een ziek kind van hetzelfde gezin. De vraag was dan; mag je dat doen. Een menselijke vrucht opereren om een ander kind te helpen, mag je een embryo daarvoor gebruiken? Mag je een kind daarvoor verwekken? Het is zo kunstig wat mogelijk is, zo wonderlijk, zo adembenemend, al die nieuwe mogelijkheden in dit toch al ingewikkelde bestaan.
Steeds beter worden de technieken van medici om over het begin van leven te heersen, om het leven in kaart te brengen met kennis van genen en DNA. Het liefst willen mensen alles beheersen, om te zijn als goden, die macht hebben over leven en dood.
Er lijkt in mensen een onstuitbaar verlangen te zijn de geheimen van het leven te kennen en te beheersen.
In oude tijden waren mensen nieuwsgierig naar het binnenste van de aarde, onderzochten mensen de schatten die daar verborgen waren; in de vorige eeuw hebben mensen het luchtruim gewonnen en gaan ze de ruimte in.
In onze tijd willen mensen tot in de finesses de grenzen van het begin en einde van leven verkennen en verleggen. Die nieuwsgierigheid hoort bij mensen; gedreven door innerlijke onrust, gelokt door onbekende verten en ongekende terreinen willen we de ruimte van leven kennen, alle mogelijkheden onderzoeken en gebruiken. Er is steeds meer mogelijk, maar daardoor wordt het steeds moeilijker om keuzes te maken: wanneer kies je ervoor een kind te krijgen, en hoever ga je als het niet lukt, wanneer kies je voor het einde van leven, als je gezondheid minder wordt en je mogelijkheden van bewegen en handelen minder worden?
Waar liggen de grenzen van leven, wat is wijs om te doen of te laten?
Het is een vraag die mensen in alle tijden bezighoudt.
In het oude Israël zochten wijze mensen naar wijsheid. Zij keken om zich heen, zagen de natuur, het gaan en komen van de seizoenen, de dieren hoe ze leven, de mensen, hoe ze met elkaar omgaan, hoe ze sterven.
In de orde van de natuur ontdekten ze wijsheid Gods. Wijsheid als één van de kanten van God. Wijsheid voorgesteld als een vrouw, als scheppende kracht aanwezig bij de oorsprong van het leven. En wijsheid is steeds scheppend aanwezig in wat mensen maken en doen met hun creativiteit, met de mogelijkheden die ieder gegeven zijn om het leven vorm en inhoud te geven.
De orde in de natuur wilden de wijzen terugvinden in het samenleven van mensen. Ze zochten naar een soort code om het leven overzichtelijk te maken, zodat mensen op het juiste moment de juiste beslissing nemen. Zo formuleerden ze allerlei spreuken die een manier van leven voorstaan, die houvast geven in de toevalligheid van het bestaan.
De meeste spreuken kennen we uit het boek Spreuken. Het lijkt een verzameling morele voorschriften. (Spr. 10: 19-27) In kort bestek lijkt het erop neer te komen dat het goede wordt beloond, het kwade gestraft; dat de rechtvaardige gezond en lang zal leven en de boosdoener kort; rijkdom is een beloning voor rechtvaardig leven en armoede het onvermijdelijke gevolg van luiheid en dwaasheid. Die orde heerst tot op de dag van vandaag. We horen mensen zeggen die een ramp is overkomen: wat heb ik gedaan dat dit me overkomt?”
Vanuit die wijsheidstraditie is het boek Job geschreven en het lied van de wijsheid dat we vandaag hebben gelezen.
De schrijver van het boek Job beschrijft in indrukwekkende taal de gang van de mens in het donkerste van de aarde, om het onderste boven te halen. Zijn oog ontdekt kostbaarheden, verborgen schatten brengt hij aan het licht. De mens kan veel, maar één ding moet hij erkennen, waar kan men wijsheid vinden? De bron van kennis en inzicht in alle dingen, waar is die?
De vraag wordt niet zomaar gesteld. Het gedicht over de vindplaats van wijsheid is een deel van een lange monoloog van Job om gebeurtenissen van zijn leven te willen begrijpen. Hij die altijd oprecht en rechtvaardig heeft geleefd voor God en zijn naasten, is totaal ontredderd en overgeleverd aan de troosteloosheid van het bestaan. Hij leidt het leven volgens de overlevering van de wijzen, van een boosdoener: hij is arm, ziek en zonder nageslacht. Zijn bezittingen, zijn gezondheid, zijn kinderen, alles heeft hij verloren. Al de zegeningen, waarvan hij dacht dat hij ze van godswege ontvangen had, zijn hem ontnomen en het is hem volstrekt duister wat daarvan de reden is.
Vrienden die hem komen opzoeken in zijn verdriet, zijn ervan overtuigd dat het een straf van God moet zijn, en om hun overtuiging kracht bij te zetten halen ze spreuken van de oude wijzen aan: de rechtvaardige, het goede wordt beloond, de boosdoener, het kwade gestraft.
Maar Job ervaart aan den lijve dat de levensorde van de wijzen niet klopt, hij gelooft er niet meer in en hij komt ertegen in verzet: de fundamenten van zijn leven liggen overhoop. Hij heeft geen enkel houvast meer. Geen enkele zekerheid. En in zijn nood vraagt hij zich af: Wijsheid, waar vind je die?
Job erkent de waarde van wijsheid en vanuit zijn geloofstraditie heeft hij geleerd dat wijsheid bij God is, maar er ligt nu zo’n grote gaping tussen zijn ervaring en zijn geloof dat hij er niet veel troost in vindt. In het gedicht over wijsheid horen we hem nog zeggen: ‘Wijsheid is de Eeuwige vrezen, en te wijken van het kwade’. Zo zou het moeten zijn volgens de traditie, vanuit dat inzicht had Job geleefd, maar blijkbaar is er geen beloning van een vlekkeloos leven aan gekoppeld.
En veel overtuiging heeft Job niet meer, want zijn klacht gaat verder en hij wil met God in discussie.
Het lied van de wijsheid is een poëtische tekst. Poëzie kan een verleidelijke schoonheid hebben; bij mijzelf bespeur ik de neiging om niet verder te kijken en alleen maar te genieten van die mooie taal.
Maar de schrijver gaat wel verder, hij schrijft zijn verhaal niet om de mooie taal. Het gaat om belangrijke levensvragen. Als Job en zijn vrienden zijn uitgeraasd laat de dichter, in een later hoofdstuk, God zelf aan het woord.
God antwoordt in een storm, en daarmee blaast hij omver wat de vrienden en Job zo mooi bedacht hadden. In overweldigende taal en beelden laat God merken dat hij niet zo moreel denkt als Job en zijn vrienden. Die morele patronen komen voort uit menselijke denkpatronen, die God willen beperken tot een rechter die straft en beloont. Het hart van God is veel groter, ruiger ook!
In het antwoord van God worden dieren als de krokodil en het nijlpaard met hun verslindende krachten beschreven als schepping Gods. Zo te zien hoort die ruigheid van leven en dood bij de schepping! Bij dieren is gewelddadigheid en vernietiging aan de orde van de dag en toch is er voortgang en variatie van leven!
Het is de ontdekking dat het leven doorgaat, ook na verschrikkelijke rampen. En daarin is God niet een rechter die straft en beloont. God omvat de wereld in zijn hand met alle mogelijkheden die daar zijn. Schoonheid en lelijkheid, liefde en geweld, leven en dood.
In dat spanningsveld gaan mensen hun weg en maken hun keuzes.
Als je ervoor kiest in dat spanningsveld met wijsheid te leven of goed wilt zijn voor anderen, dan doe je dat niet om een beloning te ontvangen, maar eerder om iets van een levensgeheim te ontdekken.
Waar vind je wijsheid?
In het begin van de van het boek Spreuken horen we vrouwe wijsheid roepen:
Zij roept op de hoeken van de straten, zij verheft haar stem op de pleinen …, Wijsheid die roept op de hoeken van de straten, d.w.z. wijsheid is daar waar mensen zijn in hun gewone doen en laten. Op straat waar mensen elkaar tegenkomen, op het schoolplein waar kinderen spelen en ouders wachten om hun kinderen op te halen, in de trein, in al die drukke wegrestaurants langs de snelweg. Overal waar mensen zijn kun je opeens geraakt worden door een wijze uitspraak over hoe iemand het leven ervaart, door een vriendelijke glimlach van een vreemde, door de overgave van een kind dat speelt, of, als er eens geen mensen zijn, door de zon die door de bladeren van een boom schijnt, door een merel in de tuin, op zoek naar voedsel. Het zijn momenten waardoor je open kunt gaan voor de kracht van leven, waardoor je zin krijgt om deel te nemen aan dat wonderlijke ingewikkelde leven, verbonden met een geheim.
We zien het ook bij Job. Uiteindelijk kijkt hij verder dan de kring van zijn eigen leven. Door nieuwe inzichten kan hij loslaten wat achter hem ligt, zijn ogen gaan open voor zijn eigen beperkingen, en voor de beperkingen van zijn vrienden, die zo goed bedoeld zulke misplaatste raad gaven. In het laatste hoofdstuk van het boek lezen we dat Job bidt voor zijn vrienden: er is ruimte voor verzoening, zodat ze met elkaar verder kunnen in het leven.
Vrouwe wijsheid roept met haar stem opdat mensen blijven zoeken. Hildegard von Bingen noemde de kracht van wijsheid als een kringloop die rondgaat, zodat je haar altijd tegen kan komen. Je kunt er altijd naar zoeken. Zoeken is een houding van openheid om de kracht van leven weer toe te laten in je soms gekwetste leven. Het is een verzoenende houding omdat ze erop uit is om verstoorde verhoudingen zo te laten groeien dat er ook weer heelhei ervaren wordt.
Het zoeken heeft te maken met vertrouwen in de kracht van leven. Het vertrouwen dat liefde en al wat daaruit voortkomt aan genegenheid, creativiteiten vriendelijkheid, meer kracht heeft dan het vernietigende, het dode.
Dat zoeken en openstaan voor nieuwe indrukken lijkt mij zo wezenlijk voor geloven, omdat je ervan uit gaat dat opvattingen en levenshouding niet vaststaande gegevens zijn, maar kunnen veranderen door gebeurtenissen. Zoals het wereldbeeld van Job veranderde, door niet te blijven klagen, maar met nieuwe ogen naar de wereld om hem heen te kijken.
Ieder mens draagt levenskracht in zich, een bron van wijsheid die wil stromen, omdat ze niet anders kan. Er zijn veel gebeurtenissen waardoor de bron van wijsheid verstopt raakt. Maar Vrouwe wijsheid is aanwezig in het leven, zij blijft roepen waar dan ook. Een stem die ons uitnodigt om open te zijn voor ervaringen van leven.
De wijsheid roept en wij zoeken en soms hebben we het gevoel dat we nooit iets van God of van wijsheid zullen vinden. Daarover schreef de Spaanse en joodse dichter Jehoeda Halevi uit de elfde eeuw, een gedicht, waarmee ik wil afsluiten:
O God, waar kan ik jou vinden.
Jouw plaats, hoog verheven in het verborgene.
En waar kan ik jou niet vinden,
Jouw majesteit vervult heel de aarde …
Ik heb je nabijheid gezocht,
met heel mijn hart om jou geroepen,
en terwijl ik jou tegemoet trad,
vond ik jou op weg naar mij.