Evangelische Roze Vieringen | ||
Overdenking ‘Mijn ziel verlangt naar de Heer!’
|
||
Lezing: Psalm 130
| OVERDENKING |
|
1301 Een pelgrimslied. Uit de diepte roep ik tot u, HEER, 3 Als u de zonden blijft gedenken, HEER, 5 Ik zie uit naar de HEER, 7 Israël, hoop op de HEER!
|
Mens zijn is in problemen zijn. De schrijver van deze psalm schijnt in grote problemen te zijn. Ook voor gelovigen is het leven niet rozengeur en maneschijn. Dat kunnen wij denk ik allemaal wel beamen. Lijden hoort bij het mens zijn. In zijn nood richt zich de psalmist tot God. Hij is daarbij één en al roepen, helemaal stem die smeekt, in de hoop dat God naar hem zal luisteren. Hij roept uit de diepste diepten. Wij hebben gelezen uit de diepte roep ik tot u maar in de Hebreeuwse grondtekst staat inderdaad het meervoud. Met de ‘diepten’ worden de diepten van de wateren, het dodenrijk, bedoeld waar men afgescheiden is van het leven en ver van God. De bidder van deze psalm vergelijkt zichzelf dus eigenlijk met een dode. De grens tussen leven en dood trekt hij echter heel anders dan wij. Dood is iemand als hij verwijderd leeft van God, die leven is en leven geeft. Vanuit deze diepe doodsnood roept de psalmist tot God, die maar liefst acht keer wordt vermeld in deze korte psalm. Duidelijker kan niet gezegd worden dat de verwachte hulp van God moet komen. Hij smeekt God dat hij zou luisteren naar zijn bidden. Onwillekeurig moeten we denken aan een drenkeling die om hulp schreeuwt of aan iemand die in een diepe put gevallen is. Wat de problemen van de dichter zijn wordt niet duidelijk aangegeven. Het doet er ook niet toe of de problemen zelf verschuldigd zijn, zoals vers 3 aangeeft (zonden), of dat ze hem overkomen. Het gaat erom dat een mens in de ‘diepste diepten’ zit en daar kunnen veel oorzaken voor zijn. Het kan daarbij gaan om iemand die arm is of geen werk kan vinden. Het diepste diep kan ook het kwade van deze wereld zijn, waarmee wij voortdurend worden geconfronteerd en waartegen wij machteloos staan. Voor een ander kan het zijn lichamelijk of psychisch lijden zijn, een ongeneeslijke ziekte, depressies waaraan hij ten onder gaat. Een mens kan ook in het diepste diep terecht komen door zijn eigen zondigheid. Dat wil deze psalm ook duidelijk maken. Als God de zonden blijft aanrekenen kan niemand bestaan. Dus nodigt de psalm ons ook uit tot een gewetensonderzoek. Hij wil ons ook bewust maken van het kwaad waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn. En natuurlijk is het diepste diep voor ieder van ons ook de dood of de stervensnood, waar we vroeg of laat doorheen moeten. Daarom ook wordt deze psalm in de katholieke kerk vaak gebeden aan het sterfbed. Helaas gaan wij vaak zo verkeerd om met mensen die in het diepste diep zitten. Lijdende mensen worden vaak niet meer geaccepteerd of zelfs genegeerd. Wat moet het een pijn doen als je beseft dat mensen je uit de weg gaan omdat je lichaam niet meer zo functioneert, wat moet het een pijn doen als je je hele leven hebt ingezet voor de samenleving en voor de kerk en als je oud bent kijkt niemand meer naar je om, wat moet het een pijn doen als je eenzaam en alleen bent en je merkt dat mensen niet eens wat tijd aan je willen besteden terwijl je ziet dat anderen zoveel afspraken met elkaar maken, wat moet het een pijn doen als je met psychische problemen te kampen hebt, depressief bent en mensen geen aandacht aan je besteden omdat ze niet weten hoe ze met je om moeten gaan, ze jouw probleem misschien wel eng vinden, wat moet het een pijn doen als je als jongere erachter komt dat je homoseksuele gevoelens hebt en je familie, vrienden en zelfs de kerk niets meer van je willen weten. En ga zo maar door. Er wordt zoveel geleden in onze samenleving. Al dat kan er voor zorgen dat een mens terecht komt in een situatie die hier in deze psalm beschreven wordt als ‘de diepte.’ Als gelovige mensen moeten wij het lijden, in welke vorm het ook optreedt, onder ogen zien en er goed mee leren omgaan en dat is iets dat we kunnen leren van deze psalmschrijver. Hij worstelt met het lijden, maar hij zingt zich er als het ware doorheen en biedt ons een nuttige ervaring: hoe ik als gelovige om moet gaan met lijden. Daar willen we nu samen over nadenken en daarom kijken we naar een aantal belangrijke aspecten van deze psalm. 1. De psalm geeft waardigheid aan het lijden De schrijver van deze psalm begint in pijn. Help mij God, de bodem is onder mijn leven weggevallen. Heer luister naar mijn roep om hulp! Luister goed! Zet uw oren open! Het is een wanhoopskreet van iemand die ten einde raad is. Hij weet niet meer wat hij moet doen. Maar juist door die angst zo openlijk neer te zetten en stem te geven in de vorm van een gebed, geeft de psalm waardigheid aan ons lijden. Hij bekijkt het lijden niet als iets wat een beetje vervelend is, wat we moeten wegstoppen op een verborgen plek omdat niemand het mag het zien, een soort schaamte misschien omdat dit soort dingen een echte gelovige niet zouden moeten overkomen. Hij behandelt het lijden ook niet als een ethisch probleem waarvoor een oplossing gevonden moet worden. Nee, het lijden wordt hier openlijk en hartstochtelijk voor God neergelegd. En het wordt beleefd. Dat voel je gewoon als je deze tekst leest. Kijk nu toch God wat mij overkomt. Alleen al door dit te doen heeft de psalm al een prijs verdiend, want het is moeilijk om in onze maatschappij iemand te vinden die ons respecteert wanneer wij lijden. Daar is helemaal geen plaats voor. Het past niet. Je hoort namelijk gezond en gelukkig te zijn. Voor alles is er wel een of andere middel. Volgens mij lopen de sportscholen als een trein, en ben je niet tevreden over je uiterlijk, voor plastische chirurgie is tegenwoordig bijna niets onmogelijk meer. Je moet namelijk ook nog eens mooi zijn. Maar niet iedereen is dat. Lijden is ook niet mooi. En als je het niveau, dat door kranten en tv programma’s (bijvoorbeeld de vele soaps) als normatief wordt voorgesteld niet haalt, dan krijg je al snel het etiket van een probleemgeval dat moet worden opgelost. Er heerst een denken dat pijn en lijden niet meer van deze tijd zijn. Maar dit denken ontkent het ware leven, de werkelijkheid. Het evangelie gaat hier gelukkig heel anders mee om. In het lijden komen we bij het hart van de dingen en zijn we dichtbij Christus aan het kruis. Je zou kunnen zeggen dat een schreeuw om hulp niet alleen echt menselijk maar ook goddelijk is. God is namelijk dieper dan de diepste diepte in de mens. Het ergste wat een mens kan overkomen, is niet het lijden, maar dat hij geen God heeft tot wie hij kan roepen als hij in de problemen zit. Ook het volk Israël wist dat al en leert ons op de feitelijke ervaringen van het dagelijkse leven te reageren als een realiteit en laat ons zien hoe we het in geloof onder ogen kunnen zien in plaats van het angstvallig te vermijden of zelfs te ontkennen. Het volk bracht zijn lijden altijd naar God in gebed. Of ze er zelf schuld aan waren of niet. Lijden hoort bij het leven. Willen wij het lijden kunnen aanpakken dan moeten we accepteren dat het erbij hoort. Daar begint bevrijding. En dat doet deze Psalm 130 en dus gaat hij op een heel andere manier met lijden om dan wij dat gewend zijn. De Bijbel biedt geen snelle oplossingen voor het lijden. Hij zegt niet dat we op vakantie moeten gaan, een cursus moeten volgen, een pilletje moeten slikken, een hobby moeten krijgen of dat het vanzelf overgaat. Je vindt er geen reclamecampagnes met mensen die ons vertellen hoe een bepaald product ze snel van een kwaal heeft afgeholpen of die problemen verstoppen achter een verhaal van positief denken. Al dat beroofd de mens van zijn menselijkheid als hij lijdt en maakt de pijn nog veel ondragelijker. In deze psalm zie je niets van dat alles: het lijden wordt bekend gemaakt en dan in gebed gebracht. 2. Het lijden wordt aan God meegedeeld In deze psalm wordt het lijden verwoord in de vorm van een gebed. Dit betekent dat de schrijver God serieus neemt. God is iemand die met ons begaan is. Dat maakt deze psalm ook duidelijk. Als je de eerste verzen van deze psalm leest dan bemerk je dat de schrijver een persoonlijke relatie met God heeft. Zo praat je niet als je hem niet kent. Zo praat je niet als je geen geloofservaringen hebt. Daaraan kun je zien hoe echt die tekst is. Luister nu God en luister goed. Doe die oren open. Dat is toch prachtig. Die man heeft al eens eerder gebeden. Ik denk dat ook God daarvan geniet. Niet van de pijn en de ellende, maar dat iemand zo vertrouwelijk met hem omgaat. Dat kan ook voor ons gelden. Ook wij kunnen een vertrouwelijke relatie met hem hebben. Hij wacht erop dat wij hem betrekken bij ons leven. Dat hij een realiteit wordt voor ons. Ook wij mogen ons hart luchten bij God. Het zal ons goed doen. God kan helpen. Juist in onze pijn denkt God aan ons en laat ons niet alleen. Je proeft dat de psalmist die ervaring al vele malen gemaakt heeft. Dus geeft hij ook aan het volk Israël het advies te wachten en te hopen. Het gebeurd wel en alles komt goed. Heb maar een beetje geduld en maak je geen zorgen. Dat heeft God ook aan ons beloofd. In Jeremia 29, 11-14 beloofd God een hoopvolle toekomst en dat hij er zal zijn voor een ieder die hem met hart en ziel zoekt. God wil ons geluk. Hij kan er niet tegen als mensen in nood zijn en zal hen in iedere situatie ter zijde staan. Dat maakt duidelijk hoe God werkelijk is. Hij is bij ons in onze problemen dat zegt hij ook in Jesaja 43: ‘Moet je door het water gaan – ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien… Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zo veel van je dat ik de mensheid geef in ruil voor jou.’ God is bij ons en dus ervaart hij onze ellende ook. En dat bevalt hem niet, want hij wil dat het ons goed gaat en dus wil hij de nood verwijderen. Daarom kunnen wij het lijden onder ogen zien, accepteren ja zelfs ondergaan. Wij weten dat het nooit definitief kan zijn, het nooit het laatste woord kan hebben. Ons fundament is God. 3. Actief en betrokken zijn Deze psalm is echter meer dan alleen een beschrijving van de werkelijkheid. Hij roept ons ook op om actief te blijven. Er twee dingen genoemd: wachten en uitzien. ‘Ik zie uit naar de heer. Mijn ziel ziet uit naar hem en verlangt naar zijn woord. Mijn ziel verlangt naar de heer. Meer dan wachters naar de morgen. Meer dan wachters uitzien naar de morgen’ De dichter spreekt hier zijn vaste hoop uit. Hij herhaalt dat voortdurend en dat maakt duidelijk hoe intens die hoop is. Blijkbaar wil hij iedereen tot eenzelfde vertrouwen aansporen. Misschien kunt u zich een van die westerns voorstellen waar mensen ’s nachts de wacht moeten houden aan een kampvuur, om er voor te zorgen dat ze niet door Indianen worden overvallen. Deze konden zo goed sluipen dat ze een vijand tot op een meter konden benaderen zonder te worden opgemerkt. Stel je dat eens voor. Een meter. Ze kunnen je zowat aanraken, en als ze dan aanvallen ben je kansloos. Geen tijd om te reageren. Dus stel je die angst eens voor van die wachters. Wat zullen ze opgelucht zijn geweest als ze een nacht goed waren doorgekomen. Die hebben vast gesnakt naar het eerste licht. Zo stel ik mij die wachters voor die in deze psalm beschreven zijn. Kunnen wij dat ook zo zeggen? Verlangen wij ook zo naar God’s aanwezigheid, naar zijn woord, naar zijn handelen? De psalmist heeft er geen problemen mee om te wachten. Zelfs in het donker van de nacht – een beeld dat doet denken aan de diepte van vers 1 – wacht hij op de morgen die het daglicht brengt dat de duisternis overwint. Hij kan wachten omdat hij zeker is van God, netzo als een wachter er zeker van is dat de ochtend komt. Hij houdt rekening met het handelen van God. Wachten en uitzien daar gaat het om en dat is wat de wachters in deze psalm doen, dat kun je vertalen met hopen. En het wordt hier duidelijk dat hopen wat anders is dan niets doen. Het is geen berusting. Het is geen dromen of een fantasie scheppen die ons moet beschermen tegen onze pijn of wanhoop. Hopen is een verwachten dat God zal doen wat hij heeft gezegd te zullen doen. Het is rekening houden met het handelen van God in ons leven. Slot Tot slot kunnen we vaststellen dat Psalm 130 ons niet vermaant ons om maar met het lijden te leven (het is nu eenmaal zo). Hij verklaart het lijden niet en redeneert het ook niet weg. Hij maakt veel meer duidelijk dat hoe diep we ook zitten, wat ons probleem ook is, we nooit buiten het bereik van God zijn. Wat of wie ons ook in de problemen heeft gebracht, hoe we daar ook terecht zijn gekomen, het kan ons nooit scheiden van God, die een weg van verlossing met ons gaat. Niet het lijden maar de verlossing heeft het laatste woord. Als wij denken dat de bodem onder ons leven is weggevallen, mogen we weten dat er een bodem is en dat de hoogten grenzeloos zijn. Als we dat weten dan kunnen we verder gaan en zelf een wachter worden, die weet dat God gaat handelen. Wij komen nu in de adventstijd. Advent betekent ‘komst’ of ‘aankomst’. In de komende weken bereiden we ons voor op de komst van de Heer. De geboorte van Jezus zoals wij die elk jaar tijdens het kerstfeest gedenken, maar ook het verwachten van de komst van Gods koninkrijk in de beloofde Messias. Advent is een periode van zelfreflectie, een tijd van hopen en uitzien, verwachting en verlangen. Het is een periode om stil te staan bij onze nood en ons vanuit de duisternis uit te strekken naar het licht. Telkens opnieuw moeten en mogen we leren dat ons leven zonder God duisternis is: een leven in de diepste diepten. Een leven als een dode. Maar bij God is genade: Hij leidt ons naar het licht, naar de ochtend. Daarop mogen wij vertrouwen, daarvan, van dit aanbreken van de dag, van het komen van de Heer mogen wij getuigen. Wachters. Mensen die weten dat de ochtend er aan komt en die het licht door mogen geven. De Duitse predikant Jochen Klepper heeft deze hoop mooi weergegeven in zijn lied: De nacht is haast ten einde. En daarmee wil ik afsluiten. De nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver. Bezing nu met verblijden de heldere morgenster. Wie schreide in het duister begroet zijn klare schijn, als hij met al zijn luister straalt over angst en pijn. God lijkt wel diep verborgen in onze duisternis, maar schenkt ons toch een morgen die vol van luister is. Hij komt ons toch te stade ook in het strengst gericht. Zijn oordeel is genade, zijn duisternis is licht. Amen
|
|
© 2008: Markus Koolwaay/ERV, webmasters: Michael/Thom | ||