Evangelische Roze Vieringen

Overdenking ‘Jesus Christ Superstar — not the musical’
bij Psalm 88 en Jesaja 9

door Cor Ofman

25 december 2007

Lezingen: Psalm 88: 10-14 en Jesaja 9: 1-6

OVERDENKING

Psalm 88: 10-14

88 10 Mijn ogen zijn dof van ellende,
ik roep u aan, HEER, elke dag,
en strek mijn handen naar u uit.
11 Doet u aan doden wonderen,
staan schimmen op om u te loven? sela

12 Komt uw liefde in het graf ter sprake
of uw trouw in de afgrond?
13 Weet men in de duisternis van uw wonderen
of van uw weldaden in het land der vergetelheid?
14 Daarom roep ik u om hulp, HEER,
elke morgen nader ik u met mijn gebed.

Jesaja 9: 1-6

9 1 Het volk dat in duisternis ronddoolt
ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen
worden door een helder licht beschenen.
2 U hebt het volk weer groot gemaakt,
diepe vreugde gaf u het,
blijdschap als de vreugde bij de oogst,
zij jubelen als bij het verdelen van de buit.
3 Het juk dat op hen drukte,
de stok op hun schouder, de zweep van de drijver,
u hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.
4 Iedere laars die dreunend stampte
en elke mantel waar bloed aan kleeft,
ze worden verbrand, een prooi van het vuur.
5 Een kind is ons geboren,
een zoon is ons gegeven;
de heerschappij rust op zijn schouders.
Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,
Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.
6 Groot is zijn heerschappij,
aan de vrede zal geen einde komen.
Davids troon en rijk zijn erop gebouwd,
ze staan vast, in recht en gerechtigheid,
van nu tot in eeuwigheid.
Daarvoor zal hij zich beijveren,
de HEER van de hemelse machten.

Op de muur van de Stadsparkkerk in Groningen staat de tekst ‘Wij prediken een gekruisigde Christus’. Voor mij als gereformeerd opgevoed jongetje ging zo’n tekst erin als Gods woord in een ouderling, en dat was het natuurlijk ook: een tekst uit Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs. ‘Voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas’, staat er ook nog in de tekst erbij, maar dat was misschien teveel tekst om in de muur te beitelen. Of te moeilijk. Sowieso te moeilijk voor de jonge generatie, die bij Pinksteren denkt aan Pinkpop, bij Pasen aan eieren en bij Kerst aan cadeaus en de meubelboulevard.

Ik denk bij Kerst aan Emanuel, de eerste Ghanese arbeidsmigrant die zo’n vijftien jaar geleden bij de Open Deur aanklopte, toen ik net bezig was een kerstmeditatie te schrijven. ‘Ik ben christen, jij bent christen, wil je me helpen?’ Later leerde ik Isa, een uiterst getraumatiseerde vluchteling die als jongetje van veertien door rebellen was meegenomen, gemarteld en verkracht. Zo beschadigd dat hij niks meer klaar maakt, lichamelijk niet en geestelijk niet. Ik kom in mijn werk nogal wat kapotte mensen tegen. Misschien is mijn leven daar de afgelopen jaren door gestempeld. Ben ik somberder geworden, ernstiger gaan preken.
Eerder dit jaar preekte ik in deze kerk op zondagmorgen. Het ging over het thema ‘genieten’. En ik bekende dat ik niet zo’n levensgenieter was. En iemand die mij een beetje kent, reageerde meteen hardop met een hartgrondig ‘ja’.

Ik sta hier niet met een blijmoedigheid het evangelie te verkondigen dat het goed met je zal gaan als je je hart maar aan de Heer geeft. Ik verkondig geen ‘Jesus Christ Superstar’. Ik verkondig een gekruisigde Christus: de Gezalfde van God die het lijden en de vernedering op zich nam en gekruisigd werd als de eerste de beste crimineel.
De psalmen vormen het hart van de joodse eredienst. Het gebed van de enkeling is ligt op de lippen van het hele volk en van elke gelovige: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ Het lag op de lippen van de gekruisigde Christus.

Ik ontmoette een aantal jaren geleden een jonge vluchteling uit Franstalig West-Afrika.
Hij was uiterst depressief was en gaf mij een aantal teksten in handen die zijn gemoedsstemming uitdrukten. Toen ik één van die teksten moeizaam aan het vertalen was, ontdekte ik overeenkomsten met een psalm. Wat een gelovige jongen, dacht ik toen nog. Het wás een psalm, psalm 88. Hij was een moslim, maar hij had zichzelf in die woorden herkend. Eén grote jammerklacht. Ik ken geen uitzichtlozer psalm dan deze. Geen sprankje hoop.
Wie weet heeft van waar je doorhéén gaat als je onder een depressie gebukt gaat, herkent zich misschien in die teksten. ‘Ik ben als een gesneuvelde in een massagraf, aan wie u niet langer denkt, losgerukt uit uw hand’… ‘Ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer.’… ‘Doet u aan doden wonderen, staan schimmen op om u te loven? Komt uw liefde in het graf ter sprake of uw trouw in de afgrond?’… Je zou, zoals dat gebruikelijk is in psalmen, aan het slot nog een wending verwachten, zoiets als, een hoopvol eind. Zoiets als: ‘O God, keer u toch om naar mij toe en doe mij weer leven met hart en ziel. Doe mij, o Heer, uw liefde zien en toon mij uw heil.’ Of: ‘Zie of er in mij een heilloze weg is en leid mij op de eeuwige weg.’ Maar dat gebeurt niet: ‘Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd, mijn enige metgezel is de duisternis.’ Zo eindigt de psalm. Hoevér ben je heen als je zó bidt? Dat je überhaupt nog bidt!

Bijbelteksten staan niet op zichzelf. Staan altijd in een context. Deze psalm is een gebed. Tot de Eeuwige, mijn redder – staat er in de eerste regel. Maar dat is waarschijnlijk een toevoeging uit later tijd.
Misschien wel van een andere gelovige die zich in de teneur van het gebed herkende, die de tekst heeft laten staan, maar het adres aangepast: ik schreeuw het uit, niet tot een onbewogen god, maar tot de Eeuwige, die als enige mijn redder kan zijn. De psalmdichter had ook kunnen zwijgen. Maar dat doet hij niet. Hij wil gehoord worden. Hij heeft de moed om te spreken. Hij heeft de moed om te bidden, om te roepen, om een adres te zoeken voor zijn ellendige situatie. En daarmee is hij de stem van wie stom geslagen zijn. Omdat hij gevoelens vertolkt die door velen worden gedeeld. Er wordt niets weggepoetst..

Misschien staan deze woorden dáárom wel in de Bijbel. Ook dit hoort bij het geloof. Dat er momenten zijn dat je, in nood gezeten, geen uitkomst ziet. ‘Wil dan nooit vergeten: God verlaat u niet’. Dat citaat uit een lied kán een gelovige dooddoener zijn. Maar het kan óók een fundamentele geloofservaring zijn. Dat vlakt de eerste noodervaring niet uit, dat poetst niets weg, ik vlak niets uit. Wat is mijn boodschap aan mensen in psychische nood? Dat ik het niet uitvlak. Dat ik er náást ga staan. Naast de mens in alle ellende. Net zoals Jezus dat moet hebben gedaan. Niet als superstar. Geen glamour en glitter, niet echt de ingrediënten voor een populaire musical. Voor Jezus was een melaatse niet melaats. Hij hield hem niet op een afstand, maar was hem nabij. Voor mij is een aidspatiënt niet melaats. Twintig jaar geleden was dat nog wel zo voor heel wat mensen die niet goed wisten hoe ze er mee om moesten gaan. Wij weten beter, toch? We kennen de namen, ze zijn dicht bij ons op het gedenkdoek.
Maar voor heel wat mensen is het nog steeds een taboe. Dat hoor ik uit de verhalen van een zestigtal illegale aidspatiënten die ik dit afgelopen jaar heb ontmoet en die ik begeleid. Eén van mijn Afrikaanse gesprekspartners vertelde: ‘Als ze van mij zouden weten dat ik aids heb, zou de gastheer de stoel waar ik op zit bij het vuil zetten.’

Ik durf iemand lijfelijk laten voelen dat ik niet bang ben. Ik hoef niet op grote afstand begrijpend zitten te hummen. Ik durf dichtbij te komen, de ander vast te pakken, te omhelzen. Homo en hetero. Waarom? Omdat ik geloof in de weg van een gekruisigde Christus, maar wat nog meer is: de Opgestane. Omdat ik geloof in de hoop die onstuitbaar is, zoals een kind geboren wordt. Ik kan het hopen niet laten. Ik ben niet zozeer een predikant van de blijdschap, maar van de hoop. Dat, als alles donker is, een klein beetje licht al voldoende is om de angst voor het duister te laten verdwijnen. Want wie in dat schaarse licht het gezicht van zijn medemens ontwaart, mag geloven dat hij er niet alleen voor staat.

Het licht breekt door, zegt de profetie van Jesaja. Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Dat is een belofte. Een belofte die wordt geconcretiseerd: dat niet de geweldenaars het voor het zeggen hebben en houden, maar dat stampende soldatenlaarzen en bebloede jassen geen andere plek meer hebben dan het vuur waarin ze tot as vergaan. Niet om de sporen van geweld uit te wissen, maar om alles wat met geweld te maken heeft geen plek meer te gunnen in het leven.
Dat zou vandaag de boodschap moeten zijn die vanuit Bethlehem opklinkt, te beginnen bij Israëli’s en Palestijnen. Dat ze allen zich in de Geboortekerk verzamelen rond die zilveren ster die de plek markeert waar Jezus geboren zou zijn en zeggen: of het verhaal zich nu werkelijk hier heeft afgespeeld of niet, laat vanaf hier en nu ons leven gestempeld worden door die vorst van eindeloze vrede. Vanaf nu gunnen wij elkaar het licht in de ogen. Of dat het zou gebeuren vanuit Jeruzalem, bij de Klaagmuur en bij de Al Aksa Moskee, dat joden, christenen en moslims tegen elkaar en de hele wereld zouden zeggen: wij geloven in Jesjoe, Jezus, Isa, als de ware mens die sprekend lijkt op wat Adonai, wat onze Vader, wat Allah van ons mensen vraagt: ons met elkaar te verzoenen en in vrede samen te leven. Of dat in Mokum, om het even vanuit de Portugese synagoge, de oude Wester en de moskee van Milli Görüs, joden, christenen en moslims zich tot elkaar zouden richten als broeders en zusters die de handen ineen slaan voor een nieuw verbond: dat niemand wordt geminacht of onrecht wordt aangedaan op grond van geloof, ras, geslacht of seksuele oriëntatie. Of dat het hier begint:
Kijk naar jezelf en vraag je af of je mee zou doen in zo’n manifestatie van wilskracht en geloof, of je er je nek voor zou durven uitsteken. Tegen die schreeuwers die zeggen dat ons land vol is, dat buitenlanders het land uit moeten, zogenaamd om de joods-christelijke traditie te behouden... Omdat er een god zou zijn die dat zou willen, zoals men dat ook dacht toen er Kruistochten werden georganiseerd. Stel de vrede kwam van alle kanten… Geloof je dat?
Ik geloof dat de vrede in ieder geval van één kant moet beginnen: van mijn kant, omdat ik geloof dat niet een Superstar of Superman de wereld zal redden. Omdat ik geloof in de Vredevorst die kan gebieden ‘de vreed’ op aard en in mijn ziel’.

Ik ben misschien wat zwaar op de hand. Vergeef me. Sommigen van jullie kennen mijn kerstverhalen. Ik heb het al zo’n keer of tien in een Roze Kerstviering mogen doen.
Ze komen allemaal op hetzelfde neer: geloof in jezelf, omdat God in jou gelooft, jij mag zijn wie je bent. Want je bent ‘beeld van God’: aan jou mogen ze aflezen wie God is, hoe God doet. Jij hoeft geen superstar te zijn. Je hoeft zelfs niet goed bij stem te zijn. Want je zit hier niet bij Idols, of op auditie voor een musical. Misschien zing je wel beter dan al die would you be a popstar kandidaten, omdat het bij jou van binnenuit komt.

Vrede en alle goeds, voor jou en voor jou en voor jou!

link

 


© 2008: Cor Ofman/ERV, webmasters: Michael/Thom
De bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling © 2004 / 2007 Nederlands Bijbelgenootschap

terug naar de voorpagina  druk deze pagina af  zoek op deze site  ga naar de inhoudsoverzicht van deze site  stuur een email aan de ERV