Evangelische Roze Vieringen

15 jaar ERV — Overdenking ‘Een herberg onderweg’
bij Psalm 84

door Cor Ofman

29 april 2007

OVERDENKING


Wil je de hele dienst beluisteren? Klik dan hierboven op de startknop.

Zoals wij hier bijeen zijn, zijn wij gezegende mensen. Wij mogen elkaar feliciteren met een plek om bijeen te komen, in alle vrijheid, in alle openheid.
Wij mogen hier zijn wie we zijn! Wij geven onze eigen kleur aan de kerk, wij geven kleur aan de samenleving, wij stellen onze gaven en talenten beschikbaar in dienst van God en van elkaar.

Maar stel, dit zou de enige plek zijn waar we elkaar zouden kunnen ontmoeten,
zoals vroeger het COC of het DOK veilige plekken waren, waar je, gewaarschuwd door de lichtgevende ogen van een uil, wist of de binnenkomende bezoeker goed volk was of misschien een politieagent.
Stel, we zouden onder het mom van psalmgezang en opwekkingsliederen, de enige plek zijn voor ontmoeting en bemoediging, en verder in de kast moeten blijven.
Dat zijn we niet, tenminste niet de meesten van ons.
We zijn hier zo trots en zelfbewust dat we een gospelkoor uitnodigen, waarvan ik veronderstel dat de meeste zangers en zangeressen zichzelf niet als lesbisch of homoseksueel beschouwen (dan was ons eigen ERV-koor wel wat groter geweest).
 
Wij weten ons gezegend met zo’n kerk. Dat is niet overal vanzelfsprekend.
Ik ken een Afrikaanse man, die als pastor in een Pinksterkerk zijn seksuele identiteit moet verhullen. Anders ligt hij eruit.
Ik ken een andere Afrikaan, die het organiseren van bijeenkomsten voor mannen die van mannen houden met gevangenisstraf moest bekopen. En met seksueel geweld in de gevangenis door gevangenispersoneel.
Ik ken een Afrikaanse man die moeite heeft met zijn seksuele identiteit omdat hij vanuit zijn godsdienstige en culturele achtergrond geen ander rolmodel heeft dan dat van een getrouwde man met kinderen. Dat zijn wij toch al lang ontgroeid?

Het lijkt wel alsof ik in mijn werk dezelfde situatie tegenkom als twintig jaar terug, toen Nederlandse homoseksuele mannen en lesbische vrouwen kwamen praten op de Open Deur.
Nú zijn het Afrikanen, met dezelfde vragen: Mag ik zijn wie ik ben? Mag het van God?
Hoe geef ik vorm aan mijn leven? Hoe integreer ik geloof en leven met elkaar? 

Pater Joop Godschalk en dominee Alje Klamer waren in de jaren zestig de voorgangers die binnen de katholieke en protestantse kerk om ruimte en aandacht vroegen voor ‘de homofiele naaste’.
De nu negentigjarige pater Jan van Kilsdonk heeft tot ver na zijn emeritaat de Amsterdamse homobars afgestruind en, nippend aan zijn glas cola, in zijn houding eerbied en respect getoond voor mensen van wie hij hun seksuele diversiteit als een vondst van de Schepper bestempelde.
Hij straalde met milde innemendheid uit dat jij een uniek schepsel van de Eeuwige bent en hij kon dat nog eens bevestigen met een briefje waarin hij zijn  visie op het nachtelijk gesprek had samengevat.
Ons past grote dankbaarheid voor zulke voorgangers.

Tegelijk was dat maar een deel van de werkelijkheid. Ik ken óók homoseksuele collega’s die weliswaar ruimhartig waren in hun verkondiging en hun pastoraat, maar hun eigen geaardheid verborgen hielden, ja zelfs verzuchtten dat ze liever niet zó waren.
Een jonge Congolese lesbische vrouw meende dat de tolerantie die zo kenmerkend is voor Nederland dateert van eeuwen her. Ik moest haar uit de droom helpen.
Nauwelijks twintig jaar geleden vroegen we als jonge homotheologen om méér ruimte binnen de Gereformeerde Kerken.
‘Wie ben ik dat ik dit niet doen mag?’, was een pleidooi voor de acceptatie van homoseksuele voorgangers binnen de kerkgemeenschap.
Nu vraagt in Zuid-Afrika de openlijke homoseksuele dominee Laurie Gaum aan zijn Nederduits Gereformeerde Kerk om het gesprek tussen homo’s en hetero’s op gang te brengen.
Wij steunen vanuit onze vieringen het werk van Pieter Oberholzer en Judith Kotze in hun pastoraat onder homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in de zwarte townships van Kaapstad.
Daar worden lesbische vrouwen verkracht om ze hun plaats te wijzen en worden jongeren het ouderlijk huis uit gegooid omdat hun anders zijn niet wordt geduld.
Wij helpen ze voor een eigen opvanghuis in Gugulethu.

Maar onze eigen kerk, zo noem ik de ERV toch maar, bleek nog maar vijftien jaar geleden gebaseerd op een behoefte onder mannen en vrouwen die in hun eigen kerkgemeenschap zich niet zó kunnen uiten als ze graag wilden.
De Evangelische Roze Vieringen zijn uiteindelijk het resultaat van een forumdiscussie met onder andere vertegenwoordigers uit de kringen van de gereformeerde bond en de confessionelen uit de hervormde kerk en een toevallige advertentie in Trouw van een homostel, op zoek naar evangelische of Pinkstergemeente waar ze als stel werden geaccepteerd.
Moet je zeggen; Goddank dat er tóen geen evangeliegemeente was die op dat voorstel inging?
Goddank dat het de aanzet werd voor wat we nu al zoveel jaar met elkaar hebben: samenkomsten, onderling pastoraat, verbondenheid, herbergzaamheid!

Duizenden hebben hun weg naar onze vieringen gevonden. De meesten zijn verder getrokken.
De ERV is, naast een vertrouwde plek voor een vaste kern, ook een soort doorgangshuis, een duiventil, waar mensen even komen buurten for the time being, kunnen schuilen, hun gemoed kunnen  luchten, hun hart kunnen ophalen, hun geloof te binnen zingen en voor een zegen kunnen komen, én weer verder trekken.

We zijn voor velen een herberg onderweg, om even neer te strijken naast de vaste gasten aan de stamtafel.
Zo zijn we, soms even, een huis van God. Een pleisterplaats waar je kunt opademen, waar je je gekend mag weten, waar de vreemdeling de vriend is die we nog niet eerder hadden ontmoet.
Ik geloof dat ook deze plek elke laatste zondag van de maand een vindplaats is van God die ons zijn zegen gunt, die ons haar ruimte geeft.
We zijn te gast, allemaal, in het Huis van de Levende.
Hier oefenen wij in gastvrijheid, zijn rustplek voor vermoeide zielen, vormen we sámen zijn ‘herberg onderweg, voor wie verdwaald door heg en steg, geen ruimte meer kon vinden’, zoals dominee André Troost het verwoordt in het lied dat wij zongen.
Een lied op de melodie van psalm 84.
Die psalm is mij dierbaar. Niet alleen omdat in het huis van de Eeuwige zelfs de mus en de zwaluw er een plek hebben, en dat er dus ook voor een huismus als ik een plaats is ingeruimd.
Wat bij mij blijft hangen, is:
Liever hier verblijven, ‘op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen’.
Dat zegt iets over waar je je ‘thuis’ voelt. Nee, het zegt vooral iets over mij. Waar ik me thuis voel.

Mijn tweede huis is Het Kerkhuis, in de Amsterdamse Bijlmer, waar ik mijn wekelijkse inloopspreekuur houdt en waar op zo’n dag in de regel meer dan 25 migranten met problemen binnenlopen.
In amper een half jaar heb ik meer dan veertig illegalen met Aids ontmoet die dringend behoefte hebben aan een stabiele leefomgeving waar ze hun medicijnen kunnen innemen.
Gelukkig groeit ook binnen de migrantenkerken de aandacht voor mensen met Aids.
Als een gemeentelid Aids heeft, heeft de kerk Aids, zei één van de migrantenpastors de afgelopen week in een radiogesprek.
Ik merk hoe voor de vele Ghanese en Nigeriaanse migranten uit Afrika, die ik in de Bijlmer ten dienste sta, de kerk een plek is voor vieren en eten, bidden en slapen.
Zij komen niet voor een uurtje op de zondagmorgen, maar swingen urenlang, en brengen er de hele vrijdagnacht biddend door. Dat is wat anders dan de hele nacht in een disco.
De kerken zijn een toevluchtsoord voor mensen zonder verblijfsvergunning,
en pastors zijn ongeveer dag en nacht in de weer voor hen die ziek zijn.
‘Een plaats tegen neerslachtigheid, een pleister van barmhartigheid’, noemt André Troost dat. Het is er een toonbeeld van hoe de kerk van Jezus Christus een levende gemeenschap kan zijn die niet alleen op zondag een uurtje open is voor  een beschaafd publiek, maar ook een plek is die doordeweeks mensen gastvrij onthaalt en zorgt dat ze niets tekort komen.

Op zaterdag 12 mei organiseren we met veertig migrantenkerken in de Bijlmer een March for Life om aandacht te vragen voor de aidsproblematiek en een Sing for Life gospelfestival, waarin negen koren en groepen de noodzaak van Aidspreventie in woord en muziek tot uiting brengen:
‘Aids can kill, but your aid can heal’, is de tekst van één van de songs.
‘Protect your package’, zingt de rapgroep.
Zo geven jonge enthousiaste zangers, van zeg maar het type (en het volume van) Sharon, de boodschap door aan hun landgenoten.
En het gekke is: hun geloof, hun enthousiasme voedt mijn geloof.
Ik denk wel eens van mezelf dat ik veel te vrijzinnig ben, dat mijn geloof niet zoveel voorstelt, totdat zo’n Nigeriaanse pastor mij in zijn kerk aankondigt als een pastor die ‘down to earth’ is. Laag bij de grond. Ja. Liever met mijn poten in de modder dan met mijn hoofd in de wolken. God is niet in de hemel, maar staat náást je, wanneer je je bukt om iemand uit de goot op te rapen. Bij zo’n theologie voel ik me thuis. Je hoeft niet per se op je knieën om alles van ‘boven’ te verwachten. Je mag door je knieën om de ander, die aan de grond zit, nabij te zijn.

God is de Barmhartige, de barmhartige Samaritaan, die de gewonde man op zijn ezel hijst en hem bij een herberg aflevert, zijn wonden verzorgt en voldoende logies biedt voor herstel.
En wij mogen de herbergiers zijn, die gastvrij onthaal bieden.
Wij leren van zijn barmhartigheid. Wij mogen vreemdelingen opnemen in ons midden die net zo welkom zijn als de stamgasten.

Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Hier op de drempel van dit huis, van elk Godshuis, vertoef ik graag. Maar misschien hier nog het meest, omdat jullie me zo vertrouwd zijn.

Cor Ofman

Contact