Evangelische Roze Vieringen | ||
Overdenking 'Gezegend ben jij!'
|
||
Lezingen:
| OVERDENKING |
|
|
Genesis 35: 6-20 6 Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz was aangekomen, het huidige Betel, in Kanaän, 7 bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats ‘God is in Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn broer. 8 (De voedster van Rebekka, Debora, stierf daar. Ze werd ten zuiden van Betel begraven, onder een eik die daarom Eik van geween werd genoemd.) 9 Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en hij zegende hem. 10 Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam.’ Zo gaf God hem de naam Israël. 11 En hij vervolgde: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen. 12 Ik geef jou het land dat ik aan Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef ik dit land.’ 13 Hierna ging God weg van de plaats waar hij met Jakob had gesproken. 14 Daar, op die plaats, zette Jakob een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te gieten. 15 Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel. Openbaring 7: 13-17 13 Een van de oudsten sprak mij aan: ‘Wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ 14 Ik antwoordde: ‘U weet het zelf, heer.’ Hij zei tegen me: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het lam. 15 Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om hem te vereren. En hij die op de troon zit zal bij hen wonen. 16 Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. 17 Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’ |
Gemeente van Jezus Christus, Mensen die een bijna-dood-ervaring hebben doorgemaakt, vertellen vaak dat ze in hun laatste terminale stadium een soort van levensfilm aan zich zagen voorbijtrekken. Ze zien de gezichten voor zich van geliefde mensen, met wie ze geleefd hebben. Ze voelen ook opnieuw de pijn van de momenten waar het is misgegaan. Het schijnt in enkele seconden te gebeuren, maar het lijkt een hele lange film. Zij die het na kunnen vertellen, hebben een herkansing gekregen. Ze mochten nog een poosje blijven. Na zo’n ervaring leven ze anders, intenser, en kunnen ze meer genieten van de kleine, mooie dingen van het leven. Zoiets moet Jakob beleefd hebben in Betel. Dat is de grensplaats van het beloofde land. Hij was er al eens eerder geweest. Het is daarom voor hem déja vu. Vele jaren geleden. Hij was toen op de vlucht geweest voor zijn broer Ezau. Met list en bedrog had hij de eerstgeboorte-zegen aan vader Isaäk ontfutseld. Niets bezat hij meer: Een banneling, een zwerveling, een mislukt mens, voor zijn gevoel verworpen door God. In Betel (de plaats heette toen nog Luz) ging hij slapen op een steen, van God en mensen verlaten. Toen - in die nacht - kreeg hij een bijzondere droom. Engelen stegen op en daalden neer op de steen waarop hij sliep. Hij zag een wonderlijke ladder – er was een verbinding tussen de hemel en de aarde. In die droom had hij de stem van God vernomen: ‘Jakob, gezegend ben jij! Ik zal je dit land geven en je tot een groot volk maken’. Hij kreeg een herkansing. Het was een opstandingservaring. Hij mocht als het ware opstaan uit zijn dood. Maar hij zou nog een hele lange weg hebben te gaan. De bedrieger zou bedrogen worden, op het moment dat hij Lea in zijn bed vond - in plaats van Rachel - op de ochtend na zijn bruiloft. En hij zou worstelen met een huiveringwekkende figuur aan de Jabbok en vechten voor zijn leven. Het duister zou hem naar de keel grijpen. Hij zag het gezicht van Ezau voor zich, de broer die hij had bedrogen. Maar in die nacht zou hij winnen. Hij had het toen uitgeschreeuwd: ‘Ik laat U niet los tenzij U mij zegent’. Op die plek kreeg hij een nieuwe naam, de naam Israël. Dat betekent ‘strijder met God’. Hij had die plaats Pniël genoemd: ‘Aangezicht van God’. Er staat aan het eind van dat verhaal : ‘De zon ging over hem op, toen hij hinkend uit Pniël kwam’. De dag daarop zou hij na jaren zijn broer Ezau weer ontmoeten. Ze zouden elkaar snikkend in de armen vallen. Momenten van heling, vergeving, herkansing. Maar nu?! Nu is Jakob terug in Betel, daar waar het allemaal begonnen is – die ladder en die engelen – en die stem van God. Nu trekt de hele film van zijn leven opnieuw aan hem voorbij. Hij is na vele jaren terug van weggeweest – in Betel. De naam die hij zelf aan die plaats had gegeven: Betel – dat is: huis van God. Hier had hij vergeving ervaren, een nieuw begin. Jakob was een ander mens geworden, en had in Pniël een nieuwe naam gekregen. Het is goed om zo’n ervaring met een ritueel gepaard te laten gaan. Een kaars aansteken bijvoorbeeld. Of zoals Jakob dat deed: Door een steen op te richten in Betel. Hij wijdde die steen plechtig in door een wijnoffer en goot er olie over uit. Wij zullen dat waarschijnlijk wat anders doen. Maar we mogen uit dit verhaal leren, dat een ritueel uitvoeren en een teken stellen een door en door bijbels gebaar is. Dat is niet zomaar wat nieuwlichterij in de kerk, maar een oeroud bijbels gegeven. Je onderstreept met een ritueel wat je ervaren hebt. Je legt je belofte vast in een gebaar; je stelt een teken. Een plek krijgt daardoor een totaal nieuwe betekenis voor je. Zo nieuw als voor Jakob, die de plaats Luz voortaan Betel noemde. Dat betekent: ‘Huis van God’. Er kan voor u, voor jou, ook zo’n plek zijn. Misschien wel in de kerk, in het ‘huis van God’? Waarom niet? Dat kan de plek zijn waar God je als in een flits doorzicht geeft in een vastgelopen situatie, de plaats waar je vergeving ervaart, waar je een herkansing krijgt. Het is Jakob na Betel niet alleen maar voor de wind gegaan. Je zou bijna zeggen: Integendeel! We horen vlak na dit tweede Betel-verhaal over twee verdrietige sterfgevallen. Nee, Jakob krijgt geen all-round verzekering voor rozengeur en maneschijn. Hij krijgt geen garantie van geluk mee, althans niet in die zin zoals wij meestal over geluk denken, dat alles lekker gaat en zonder pijn verloopt. Eerst sterft de voedster van Rebekka. Ze heette Debora. Ze had Jakob en Ezau gevoed en verzorgd. Ze waren kennelijk heel erg aan haar gehecht. Zo sterk dat de eikenboom waaronder ze begraven werd ‘Eik van Geween’ werd genoemd. Ze hebben daar wat afgehuild met elkaar! Een treffend en roerend detail in dit bijbelverhaal. Soms kun je ontzettend treuren over een dierbaar mens, die niet eens direct familie van je is, maar die heel veel voor je betekend heeft. Jakob keert terug naar Betel. Bepaalde plekken blijven hun aantrekkingskracht voor je behouden. Je wilt er telkens weer naar terugkeren. Een teken oprichten, een waxinelichtje aansteken, een gebed uitspreken. Dat kan een kerkgebouw zijn, een plek als hier. Vroeger noemden ze kerken graag ‘Betel’, maar dat klinkt ons vandaag wat oubollig in de oren. Maar het hoeft niet persé een kerk te zijn, het kan ook een heel ander plek zijn, bijvoorbeeld in de natuur. Daar waar je God ervaren hebt, daar waar je in een flits geweten hebt: Ik ben een gezegend mens. Ik mag er zijn zoals ik ben, zoals God mij geschapen heeft. Vandaag mag je hen in je geloofsfantasie even zien. Zoals we hoorden in dat visioen uit het boek Openbaring. Ze staan voor God. Ze leven in zijn licht. Er staat: Ze hebben witte kleren, die gewassen zijn in het bloed van het Lam. Dat wil zeggen: Ze leven vanuit de heling die uitgaat van het leven en sterven van Jezus, de Levende. Probeer ze maar voor je te zien: Je vader of je moeder, je opa en je oma, misschien je kind, dierbare vrienden of vriendinnen, mensen die je altijd in je hart meedraagt. Vandaag zien we hen in het licht van God. En als teken daarvan steken we onze kaarsjes aan met het licht van de Paaskaars. ‘In de hemel is een dans’, zingt Gezang 109. Daar is geen honger en geen dorst, geen pijn en geen verdriet. God zelf zal hen leiden naar de waterbronnen van het leven, horen we uit Openbaring 7. En God zal zijn eeuwige klus klaren - eindelijk: Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Vandaag komen wij terug in óns Betel. De plek waar hemel en aarde elkaar raken. We horen de namen van hen die ons zijn ontvallen. Er zijn namen bij van voltooide levens: 80 en 90 jaar. We konden ze niet missen, maar hun levens zijn als het ware afgerond. We horen ook namen van hen schrijnen in ons hart: Te vroeg gestorven, te onverwacht heengegaan. We voelen ons verweesd, alleen gelaten. Amen
|
|
© 2006: Simon Schoon/ERV, webmasters: Michael/Thom | ||