Evangelische Roze Vieringen

Overdenking 'Gezegend ben jij!'
bij Genesis 35: 6-20 en Openbaring 7: 13-17

door Simon Schoon

26 november 2006

OVERDENKING

Gemeente van Jezus Christus,

Mensen die een bijna-dood-ervaring hebben doorgemaakt, vertellen vaak dat ze in hun laatste terminale stadium een soort van levensfilm aan zich zagen voorbijtrekken. Ze zien de gezichten voor zich van geliefde mensen, met wie ze geleefd hebben. Ze voelen ook opnieuw de pijn van de momenten waar het is misgegaan. Het schijnt in enkele seconden te gebeuren, maar het lijkt een hele lange film. Zij die het na kunnen vertellen, hebben een herkansing gekregen. Ze mochten nog een poosje blijven. Na zo’n ervaring leven ze anders, intenser, en kunnen ze meer genieten van de kleine, mooie dingen van het leven.
Soms beleven mensen iets dergelijks ook in het volle leven. Je kunt dan het gevoel hebben: Was ik hier al eens? Heb ik dit al eens eerder meegemaakt? Er trekt een film aan je geestesoog voorbij. Zoiets kan beangstigend zijn maar ook een heel bijzonder moment. Je kunt het ervaren als een loutering. Je krijgt een herkansing. Het besef dringt zich aan je op: Ik mag opnieuw beginnen. Het oude is voorbijgegaan. Mijn levensverhaal mag nog eens herschreven worden. Er is heling en vergeving. Bij zo’n ervaring is het alsof je van de andere kant de stem van God verneemt: Gezegend ben jij!

Zoiets moet Jakob beleefd hebben in Betel. Dat is de grensplaats van het beloofde land. Hij was er al eens eerder geweest. Het is daarom voor hem déja vu. Vele jaren geleden. Hij was toen op de vlucht geweest voor zijn broer Ezau. Met list en bedrog had hij de eerstgeboorte-zegen aan vader Isaäk ontfutseld. Niets bezat hij meer: Een banneling, een zwerveling, een mislukt mens, voor zijn gevoel verworpen door God. In Betel (de plaats heette toen nog Luz) ging hij slapen op een steen, van God en mensen verlaten. Toen - in die nacht - kreeg hij een bijzondere droom. Engelen stegen op en daalden neer op de steen waarop hij sliep. Hij zag een wonderlijke ladder – er was een verbinding tussen de hemel en de aarde. In die droom had hij de stem van God vernomen: ‘Jakob, gezegend ben jij! Ik zal je dit land geven en je tot een groot volk maken’. Hij kreeg een herkansing. Het was een opstandingservaring. Hij mocht als het ware opstaan uit zijn dood.

Maar hij zou nog een hele lange weg hebben te gaan. De bedrieger zou bedrogen worden, op het moment dat hij Lea in zijn bed vond - in plaats van Rachel - op de ochtend na zijn bruiloft. En hij zou worstelen met een huiveringwekkende figuur aan de Jabbok en vechten voor zijn leven. Het duister zou hem naar de keel grijpen. Hij zag het gezicht van Ezau voor zich, de broer die hij had bedrogen. Maar in die nacht zou hij winnen. Hij had het toen uitgeschreeuwd: ‘Ik laat U niet los tenzij U mij zegent’. Op die plek kreeg hij een nieuwe naam, de naam Israël. Dat betekent ‘strijder met God’. Hij had die plaats Pniël genoemd: ‘Aangezicht van God’. Er staat aan het eind van dat verhaal : ‘De zon ging over hem op, toen hij hinkend uit Pniël kwam’. De dag daarop zou hij na jaren zijn broer Ezau weer ontmoeten. Ze zouden elkaar snikkend in de armen vallen. Momenten van heling, vergeving, herkansing.

Maar nu?! Nu  is Jakob terug in Betel, daar waar het allemaal begonnen is – die ladder en die engelen – en die stem van God. Nu trekt de hele film van zijn leven opnieuw aan hem voorbij. Hij is na vele jaren terug van weggeweest – in Betel. De naam die hij zelf aan die plaats had gegeven: Betel – dat is: huis van God. Hier had hij vergeving ervaren, een nieuw begin. Jakob was een ander mens geworden, en had in Pniël een nieuwe naam gekregen.
En nu – terug in Betel- krijgt hij opnieuw een bevestiging van God. Het lijkt wel een herhaling van zetten: Hij krijgt opnieuw de naam Israël; hij hoort opnieuw de belofte dat hij tot een groot volk zal worden.
Dat heeft een mens kennelijk nodig, om het nog eens te horen, om bevestigd te worden. Soms dringt het pas echt tot je door, nadat je het meerdere malen gehoord hebt: ‘Gezegend ben jij!’ Je mag meer dan eens een zegen ontvangen in je leven. Een hand op je hoofd voelen en horen: Zo wil God je aanraken, je zegenen, je omarmen in zijn trouw. Waarom zou je niet nog eens belijdenis doen in de kerk, of om een zegen vragen, als een nieuwe toewijding na een crisis, of in een nieuwe fase van je leven? Zoals Jakob ook, terug in Betel, opnieuw belijdenis deed van zijn vertrouwen in God. Misschien zie jij geen ladder vanuit de hemel, geen engelen die opstijgen en neerdalen. Misschien hoor je niet letterlijk een stem uit de hemel, zoals Jezus bij zijn doop in de Jordaan, ook zo’n uniek en wonderlijk moment. Máár je mag het op dit moment wel horen, als je je openstelt. Het wordt je verkondigd: Jij bent een geliefd kind van God! Je mag er zijn zoals je bent. Je mag het voelen met een zegenende hand op je hoofd: Je leven is genezen. Je schuld vergeven. Je krijgt een herkansing. In het huis van God.
Het is best mogelijk, dat je hart ineenkrimpt als de film van je leven aan je voorbijtrekt. Voor jou is het geen mooie droom met engelen, maar meer een nachtmerrie met spoken en demonen. Je voelt de schrijnende littekens van wat gebeurd is en wat nooit meer goed lijkt te komen. Maar in plekken als Betel wil God wonden genezen, littekens helen. De levende God kan pijnlijke en verscheurende herinneringen genezen.

Het is goed om zo’n ervaring met een ritueel gepaard te laten gaan. Een kaars aansteken bijvoorbeeld. Of zoals Jakob dat deed: Door een steen op te richten in Betel. Hij wijdde die steen plechtig in door een wijnoffer en goot er olie over uit. Wij zullen dat waarschijnlijk wat anders doen. Maar we mogen uit dit verhaal leren, dat een ritueel uitvoeren en een teken stellen een door en door bijbels gebaar is. Dat is niet zomaar wat nieuwlichterij in de kerk, maar een oeroud bijbels gegeven. Je onderstreept met een ritueel wat je ervaren hebt. Je legt je belofte vast in een gebaar; je stelt een teken. Een plek krijgt daardoor een totaal nieuwe betekenis voor je. Zo nieuw als voor Jakob, die de plaats Luz voortaan Betel noemde. Dat betekent: ‘Huis van God’. Er kan voor u, voor jou, ook zo’n plek zijn. Misschien wel in de kerk, in het ‘huis van God’? Waarom niet? Dat kan de plek zijn waar God je als in een flits doorzicht geeft in een vastgelopen situatie, de plaats waar je vergeving ervaart, waar je een herkansing krijgt.

Het is Jakob na Betel niet alleen maar voor de wind gegaan. Je zou bijna zeggen: Integendeel! We horen vlak na dit tweede Betel-verhaal over twee verdrietige sterfgevallen. Nee, Jakob krijgt geen all-round verzekering voor  rozengeur en maneschijn. Hij krijgt geen garantie van geluk mee, althans niet in die zin zoals wij meestal over geluk denken, dat alles lekker gaat en zonder pijn verloopt. Eerst sterft de voedster van Rebekka. Ze heette Debora. Ze had Jakob en Ezau gevoed en verzorgd. Ze waren kennelijk heel erg aan haar gehecht. Zo sterk dat de eikenboom waaronder ze begraven werd ‘Eik van Geween’ werd genoemd. Ze hebben daar wat afgehuild met elkaar! Een treffend en roerend detail in dit bijbelverhaal. Soms kun je ontzettend treuren over een dierbaar mens, die niet eens direct familie van je is, maar die heel veel voor je betekend heeft.
Vervolgens horen we over de dood van Rachel. Leven en dood liggen dicht bij elkaar. Benjamin wordt geboren en Rachel sterft in het kraambed. Zij was de geliefde vrouw van Jakob, het licht van zijn leven. Zonder haar kon hij eigenlijk niet verder. Het graf van Rachel ligt bij Betlehem – ‘tot op de dag van vandaag’ staat er in Genesis 35. En dat is in dit geval inderdaad waar tot op vandaag: Een graf, met een enorme bunker er om heen, bij Betlehem, - een fel omstreden plaats waar Joden, zwaar bewapend, bidden in Palestijns gebied.

Jakob keert terug naar Betel. Bepaalde plekken blijven hun aantrekkingskracht voor je behouden. Je wilt er telkens weer naar terugkeren. Een teken oprichten, een waxinelichtje aansteken, een gebed uitspreken. Dat kan een kerkgebouw zijn, een plek als hier. Vroeger noemden ze kerken graag ‘Betel’, maar dat klinkt ons vandaag wat oubollig in de oren. Maar  het hoeft niet persé een kerk te zijn, het kan ook een heel ander plek zijn, bijvoorbeeld  in de natuur. Daar waar je God ervaren hebt, daar waar je in een flits geweten hebt: Ik ben een gezegend mens. Ik mag er zijn zoals ik ben, zoals God mij geschapen heeft.
Je zou kunnen zeggen: Elke plek kan ‘Betel’ worden, als je ervaart dat hemel en aarde er verbonden zijn. Zoals we op deze zondag - de laatste zondag van het kerkelijk jaar – vieren, dat hemel en aarde verbonden zijn. Dat is wat we ten diepste met die aloude woorden van de geloofsbelijdenis tot uitdrukking brengen: ‘Ik geloof de gemeenschap der heiligen’. Er is een verbinding tussen hen die zijn heengegaan én ons – hier in de wereld. De ziener Johannes op Patmos heeft ons een blik gegund in die bovenaardse, bijzondere werkelijkheid. We mogen even over zijn schouder meekijken: Hemel en aarde zijn verenigd.
Juist vandaag kunnen we beleven, dat diegenen die we heel erg missen, niet voorgoed verdwenen zijn. Mensen die we verloren aan de dood of aan het leven. Ze kunnen dichtbij je zijn, zo nabij als je eigen hart. Met hen die overleden zijn, blijven we verbonden via de levende God.

Vandaag mag je hen in je geloofsfantasie even zien. Zoals we hoorden in dat visioen uit het boek Openbaring. Ze staan voor God. Ze leven in zijn licht. Er staat: Ze hebben witte kleren, die gewassen zijn in het bloed van het Lam. Dat wil zeggen: Ze leven vanuit de heling die uitgaat van het leven en sterven van Jezus, de Levende. Probeer ze maar voor je te zien: Je vader of je moeder, je opa en je oma, misschien je kind, dierbare vrienden of vriendinnen, mensen die je altijd in je hart meedraagt. Vandaag zien we hen in het licht van God. En als teken daarvan steken we onze kaarsjes aan met het licht van de Paaskaars. ‘In de hemel is een dans’, zingt Gezang 109. Daar is geen honger en geen dorst, geen pijn  en geen verdriet. God zelf zal hen leiden naar de waterbronnen van het leven, horen we uit Openbaring 7. En God zal zijn eeuwige klus klaren - eindelijk: Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen.

Vandaag komen wij terug in óns Betel. De plek waar hemel en aarde elkaar raken. We horen de namen van hen die ons zijn ontvallen. Er zijn namen bij van voltooide levens: 80 en 90 jaar. We konden ze niet missen, maar hun levens zijn als het ware afgerond. We horen ook namen van hen schrijnen in ons hart: Te vroeg gestorven, te onverwacht heengegaan. We voelen ons verweesd, alleen gelaten.
Vandaag – in ons Betel – zijn ze alle aanwezig. In de gemeenschap der heiligen. Ze zijn niet opgelost in het niets. Er is een ladder van de hemel naar de aarde.Voor ons de Naam van Jezus die verbinding; die Naam die naar een oud lied “aard’ en hemel verenigd tezaam”.
Onze gestorvenen zijn geborgen in het licht van God.
En wij – hier op aarde – mogen het horen, als onze levensfilm aan ons voorbij trekt:
Gezegend ben jij!

Amen


 

Contact