|
Deuteronomium 32: 7 t/m 12
7 Denk aan de tijden van weleer,
verdiep u in het verre verleden.
Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen; vraag de oudsten en zij zullen verhalen. 8 Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk en de mensen ieder hun deel gaf, bepaalde hij de grenzen voor alle volken naar het aantal nazaten van Israël, van de Zonen van God.
9 want voor de HEER gold dat volk als het zijne, Jakob was het deel dat hij zichzelf toemat. 10 Hij vond het in een dorre woestijn, in een niemandsland vol van gevaar. Hij omringde het met zorg en met liefde, koesterde het als zijn oogappel. 11 Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt, 12 zo heeft de HEER zijn volk geleid, hij alleen: geen andere god stond hem bij.
Johannes 19: 25 t/m 27
25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala.
26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.
|
Lieve mensen van God,
Soms duizelt het me weleens als ik bedenk hoe ongelofelijk veel woorden en informatie er op een dag op ons afkomt. Als je de hele krant wilt lezen ben je de halve dag bezig. Iedere dag verschijnen er eindeloos veel kranten, tijdschriften en tientallen boeken. Alle televisie- en radiozenders beluisteren is onmogelijk en dan heb ik het nog niet eens over de enorme hoeveelheid informatie die via internet te vinden is. En toch, alle informatie en alle woorden ter wereld zijn niet toereikend om te beschrijven wie God is.
Daarom is het ook zo mooi dat de bijbel wel verhalen vertelt over het handelen van God in deze wereld, maar op geen enkele manier probeert om in een stelling of een dogma vast te leggen wie God is.
De God van de Bijbel heeft zelfs geen naam. Toen Mozes zijn opdracht van God ontving en hij bij de brandende braambos de stem van God hoorde vroeg hij aan God naar diens naam. Het antwoord dat hij kreeg luidde: mijn naam is: “Ik ben die ik zijn zal” of “Ik zal er zijn”. Dat is geen echte naam. Dat betekent niet dat Hij anoniem wilde blijven. In de manier waarop Hij telkens weer op zoek gaat naar mensen laat Hij zich kennen. Maakt Hij waar dat Hij ‘er bij is’. Dat begint al in het paradijs, waar God roept tot Adam en Eva: “Mens waar ben je?” Door de hele geschiedenis van God met mensen zijn er zulke momenten waar God zich laat kennen als een God die niet alleen hoog troont, maar ook zeer laag nederziet. Dat komt nergens beter tot uitdrukking dan in de geboorte, het leven, sterven en de opstanding van Jezus. In Jezus messias heeft God een menselijk gezicht gekregen.
Ook al heeft God geen naam, de bijbel gebruikt wel heel veel verschillende beeldende woorden om te beschrijven wie God is. Vooral de psalmen, maar ook de profeten beschrijven God op een beeldende manier. Zo wordt God een vesting genoemd of een burcht waar je kan schuilen, een rots waar je op kunt bouwen. Maar mocht je nu denken dat God altijd stevig en vast is, dan word je weer op een ander been gezet door de beelden waarin God wordt beschreven als levend water, als licht, als opgaande dageraad. Daarnaast worden er ook heel menselijke beelden gebruikt om iets over God te zeggen. Er wordt van God gezegd dat Hij een hart heeft en ingewanden. Hij wordt soms een koning genoemd. Maar als je dan denkt dat Hij alleen hoog verheven boven ons staat, dan is er weer een beeld waarin hij heel eenvoudig, menselijk nabij als een herder wordt beschreven. En mocht je soms denken dat God mannelijk is, dan haast de bijbel zich om God in Jesaja 66 te vergelijken met een moeder die haar kinderen aan de borst koestert. Maar pas op, de bijbel wil God ook weer niet te menselijk beschrijven: er zijn ook psalmen waarin God wordt vergeleken met een zorgzame vogel bij wie je onder de vleugels kunt schuilen. Een soort kloek. En in de lezing van vandaag wordt God vergeleken met een adelaar.
Het volk Israël is bijna aan het eind van de reis door de woestijn gekomen. De opdracht van Mozes is bijna voltooid. Mozes heeft alles opgeschreven wat de Heer hem had geopenbaard. Aan het eind van zijn lange leven gekomen vat hij alles nog eens samen in een lied dat hij ten gehore brengt ten overstaan van het verzamelde volk. Hij beschrijft hoe God het volk gekoesterd heeft. Hij heeft hen gedragen zoals een adelaar zijn jongen op de vleugels draagt. De liefde van God voor zijn volk wordt hier vergeleken met de liefde van de adelaar voor zijn jong. De adelaar is de vogel die het hoogst kan vliegen van alle vogels. Het volk van God wordt hoog gedragen.
In een rabbijns commentaar las ik een prachtige uitleg bij dit beeld van de adelaar. Volgens vogelkenners klopt het niet helemaal, maar dat doet er niet toe. Het gaat om de gelovige gedachte erachter.
“Alle andere vogels grijpen hun jongen vast met hun poten. Dat doen ze omdat ze bang zijn voor roofvogels die hen van boven af kunnen aanvallen. Vogels beschermen op die manier hun jongen. Maar de adelaar is de vogel die het hoogst vliegt. Hij hoeft niet bang te zijn voor andere vogels. De enige voor wie hij bang hoeft te zijn is de mens, die hem met zijn wapens, met zijn pijlen raken kan. Daarom draagt de adelaar zijn jongen op zijn rug, want hij denkt: het is beter dat ik geraakt wordt dan mijn jong. Zo ook de God van Israël. Bij de bevrijding uit Egypte beschermde God zijn volk tegen de Egyptenaren. Hij ging tussen zijn volk en de farao in staan”.
Zo is God als een adelaar, die zijn jongen, zijn mensenkinderen, op de vleugels draagt. Hij is een God die bescherming biedt aan zijn mensenkinderen. Sterker nog, in het lijden van Jezus – aan het ruwhouten kruis - zien we dat Hij zijn leven inzet voor ons. Jezus was het doelwit van de slagen, van de spot, van de marteling, van de kruisiging. De pijlen die op Hem werden gericht had Hij niet verdiend. Hij droeg het lijden, Hij ging door de dood heen, opdat wij zouden leven. Opdat wij als adelaarsjongen veilig zouden zijn.
Maar er is nog een andere kant aan het beeld van de adelaar. Het schijnt dat een adelaar zijn jongen leert vliegen door boven het nest te vliegen, het jong te pakken, het te dragen en het vervolgens los te laten, tot het zelf vliegen kan. De ouder is er volkomen van overtuigd dat hun kroost het kàn (vliegen). Daarom laat de adelaar het jong vallen in de hoop dat die al fladderend het vliegen leert. Maar als het jong dreigt neer te storten duikt de adelaar pijlsnel onder het jong door en vangt het op door de vleugels wijd uit te spreiden als een vangnet. Zo wordt het fladderende jong opgevangen en op het nest teruggezet. In ieder geval heeft het jong dan geen angst meer en kan het gewoon verder vol zelfvertrouwen naar het op eigen wieken voortbewegen toe groeien.
Huub Oosterhuis maakte een prachtig lied naar aanleiding van dit beeld. “Die mij droeg op adelaarsvleugels, die mij hebt geworpen in de ruimte, en als ik krijsend viel, mij ondervangen met uw wieken en weer opgegooid, totdat ik vliegen kon op eigen kracht”.
Het zou wel makkelijk zijn voor het jong van een adelaar als hij altijd gedragen werd. Maar het is de bedoeling dat hij zelf leert vliegen. Het zou wel makkelijk zijn voor ons als we alles aan God konden overlaten. Maar ook wij moeten zelf leren vliegen. Het is niet voor niets dat Jezus na zijn opstanding weer van deze aarde is weggegaan. Maar gelukkig beloofde Hij kort voor zijn sterven aan de discipelen dat Hij hen de Heilige Geest zou geven, de Trooster. En met het Pinksterfeest werd de Heilige Geest niet alleen over zijn discipelen, maar over veel meer mensen uitgestort. Zoals een adelaarsjong drijft op de wind, zo mogen wij ons laten drijven op de adem van de Geest.
Maar dan reiken we al naar Pinksteren. Nu zijn we nog op weg naar het Paasfeest. Nu denken we aan het lijden dat Jezus droeg. We lazen een fragment uit het verhaal over de kruisiging. We hoorden één van de kruiswoorden, de woorden die Jezus sprak tot Maria en Johannes. “Vrouw, zie uw zoon, zoon, zie uw moeder”. Het is jammer dat in de Nieuwe bijbelvertaling het woord ‘zien’ is weggelaten. Zien is een geloofswoord. Jezus zorgt met zijn woorden voor nieuwe verhoudingen. Er wordt een nieuwe gemeenschap tot leven geroepen. Achter het kruis licht de gemeenschap op van mensen die door de dood heen naar het leven reiken. Een gemeenschap van mensen die elkaar nodig hebben en naar elkaar omzien. In die gemeenschap is het kernwoord “zien”. De ander zien met zijn pijn en vedriet, maar ook een toekomst zien waarin het anders kan. Want het kruis is niet het teken van de dood, maar van het leven
“Zie” wordt er tegen ons gezegd. Zie de mensen om je heen. Jullie zijn aan elkaar gegeven, als zusters en broeders, als zonen en dochters. Zie:
Oudere, zie een jongere, jongere zie een ouder iemand.
Autochtoon, zie een allochtoon en omgekeerd.
Heteroseksueel, zie een homoseksueel.
Werkende, zie iemand zonder werk.
Gezonde, zie iemand met een handicap of een ziekte.
Zie om naar elkaar, zoals God omziet naar mensen. Met een oog, scherp als van een adelaar.
Zie en draag elkaar, want Jezus heeft alle lasten voor ons gedragen.
Hij laat ons niet vallen; en als we zouden vallen, dan vangt Hij ons op met zijn vleugels of in zijn hand.
Hij draagt ons.
Amen
|