|
Genesis 11: 1-9
1 Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. 2 Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich. 3 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. 4 Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ 5 Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. 6 Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de HEER, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. 7 Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. 8 De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. 9 Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring
in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde.
Handelingen 2: 1-13
1 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2 Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4 en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.
5 In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6 Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8 Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9 Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, 11 Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12 Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13 Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’ |
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Woest was het. En leeg. Maar de Eeuwige maakte leefruimte door hier het licht te plaatsen en daar het duister. Niet meer de chaos, de kosmische oersoep, maar hier land en daar water. Hier dag en daar nacht; hier hemel, daar onderwereld; hier planten daar dieren; hier dieren, daar mensen; hier man, daar vrouw. Alles naar zijn eigen aard, veelkleurig als de schepping. Alles naar het beeld van de Schepper die zijn ziel en zaligheid in dit aardse leven legde.
Misschien had Hij minder moeite met dat soort onderscheid maken dan wij. Vervul de aarde, was zijn eerste opdracht. Een gebod voor het menselijk bestaan. Weest vruchtbaar en vervul de aarde. Vermenigvuldig je en maak de aarde vol. Om haar te dienen, om haar te beheersen. Verdeel je en verspreid je tot aan de einden van de aarde. Weest vruchtbaar en wordt talrijk om de aarde te bewerken en te bewaren. Dat is de rol van de mensheid, tuinman spelen in die goede grote eindeloos veelkleurige schepping.
Maar zo’n gebod is aan dovemansoren gericht. De mensheid, supergeconcentreerd tot acht personen bij Noach’s grote vloed, begint weer uit te waaieren in generaties, stammen en volken, maar ze willen het niet. Ze vinden een vlakte, een vallei om te wonen. En liever dan verder trekken, de verdeeldheid tegemoet, blijven ze daar wonen en bouwen een stad. Dan zullen we niet meer over de hele aarde verspreid raken. Niet heel de aarde vervullen, niet wegtrekken uit ons land en onze maagschap. Laat ons hier blijven bij elkaar. Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt.
Het is niet zo ver van de toren van Babel naar de torens van vandaag, tekenen van kracht en eenheid, tekenen van werelddominantie. De beurs als economisch model van eenheid zoals dat eens de toren was. De macdonaldization van de wereld, met in ieder afgelegen land dezelfde hamburgers en McNuggets, verkocht aan mensen op dezelfde Nike-schoenen en aangeslagen op een computer die draait op hetzelfde Microsoft. Het internet als nieuwe eenheidsspraak, netwerk van Babel. Daarmee ligt alles wat we van plan zijn binnen ons bereik. Wat er in ons hoofd opkomt kunnen onze handen maken, knutselend aan onze genen of aan een groot anti-raketschild over de hele westerse wereld heen.
Is het hoogmoed? Ach, nauwelijks. Misschien wel in de schilderijen die er bij dit verhaal gemaakt zijn, en ook wel in de klassieke uitleg, maar in de tekst staat het eigenlijk niet. Spraakverwarring als straf voor een toren die tot in de hemel reikt? Het is maar de vraag of het daar om draait. De beweging van de mensen in het verhaal is niet in de eerste plaats omhoog. De toren is maar bijzaak. Laten we klei bakken. Laten we een stad bouwen. Ze vestigen zich in de vlakte. Niet de aarde vervullen, niet vermenigvuldigen tot de einden der aarde, niet verspreiden over de wijde schepping om te bewerken en te bewaren. Ze vestigen zich in de vlakte. Daar, met een stad, een verdedigingstoren, en een roemruchte naam. Is het hoogmoed?
Ik zou het eerder angst noemen. Angst voor de verdeeldheid. Angst voor de dreiging van buiten waar je je niet meer tegen kunt verdedigen als je geen blok meer vormt. Het is de angst die opkomt als je beseft dat de ander echt anders is. Je verstaat elkaar niet meer en weet dus ook niet meer precies wat je aan die ander hebt. Staat ze aan jouw kant? Zal hij je in de rug aanvallen? Zeggen ze iets tegen elkaar dat je niet begrijpt? Praten ze over jou? En dus worden we bang voor preken van imams die we niet verstaan en zetten we de hele Islam weg als ondemocratisch en intolerant. Ouderen maken zich zorgen over de voor hen onverstaanbare boodschappen van de jongerencultuur en denken dat het een totale degeneratie is. Brave kerkmensen hebben moeite met al te uitbundige geloofsuitingen van pinkstergemeenten en noemen het sentimentele massahypnose. Progressieve en conservatieve gemeenteleden bestrijden elkaar en trekken elkaars motieven in twijfel. Want wat anders is, is vreemd is verwarrend is eng.
Daarom dus één stad, een netwerk, één taal. De Verenigde Naties en de Europese Unie als bewakers van vrede en de toerisme-industrie als motor van de welvaart. En met succes: je kunt de wereld rondreizen en overal je weg vinden. De bekendste serie reisgidsen mag dan ‘Lonely planet’ heten, met 600 verschillende gidsen ben je nergens eenzaam. De moderne reiziger kan er steeds vaker van uit gaan dat men hem of haar in het Engels wel zal verstaan. Het leven is er veiliger, beter, aangenamer door geworden. Eén stad, één taal. Als een gigantisch fusieproces, waardoor de wereld overzichtelijker wordt en wij sterker staan.
En zo waren ze daar in de vlakte gekomen, onderweg naar de einden der aarde. Langs de weg van het scheppingsplan om de aarde te vervullen, maar ze besloten zich daar te vestigen. Ongehoorzaam aan de eerste opdracht van de mensheid, zoals Jona, die weigerde naar Ninevé te gaan. Niet naar de uiteinden, maar blijven hangen hier in de vlakte, dicht bij elkaar, het middelpunt van je eigen wereldje. Maar mensen zijn niet geschapen om in hun kringetje rond te draaien. Ze zijn bedoeld om verder te trekken, grenzen over te gaan, nieuwe werelden te vinden. Ze zijn bedoeld om wereldwijd te leven.
Misschien moet je zo het ingrijpen van de Allerhoogste verstaan. Geen straf op de hoogmoed, maar een ingreep tegen de verstarring van de angst. Zo gebeurt het later ook, als de deuren van de discipelen dicht zijn uit angst voor de mensen, dan breekt Jezus die deur open. En als Jona niet naar Ninevé wil, dan zal toch gebeuren, al moet ie ook eerst overboord en al moet er een mysterieuze vis aan te pas komen. Iedereen begrijpt hun angst, maar het heil, het leven moet verder worden verspreid. En als het nodig is, dan verwart Hij de talen van de mensen zodat ze elkaar niet meer verstaan, hun stadse eenheidsdwang opgeven, en verder trekken.
Zoiets gebeurt ook bij Pinksteren. Het verhaal van Babel vindt er zijn voltooiing. Niet zijn oplossing, zoals vaak gezegd is. Het gaat er niet om dat de verwarring, de meertaligheid van Babel opeens niet meer bestaat als de Geest zijn werk doet. Integendeel. Pinksteren onderstreept met vuur en wind en een menigte van duizend stemmen precies dezelfde boodschap van de Eeuwige: dat de rijke veelkleurigheid van de schepping niet kan worden teruggebracht tot één taal en één plaats, maar uitwaaiert tot voorbij de einder. De diversiteit wordt gevierd op het Pinksterfeest, een feest van de eerstelingen van de oogst.
Het gaat om meer dan taal. Ook de inhoud blijkt steeds veelkleuriger te zijn dan misschien prettig zou zijn. Vier evangeliën die niet op alle punten te verenigen zijn, felle discussies inde vroege kerk over welke regels wel en niet moesten worden gehandhaafd, spanningen tussen Grieks- en Arameessprekenden. En zo gaat het de tijden door: pogingen om de kerk op één lijn te krijgen en voortdurende uitbraken uit die eenheidsdwang. Het hele oecumenische proces, tot en met de vorming van die ene Protestantse Kerk in Nederland staat in precies die spanning van eenheid en verscheidenheid.
Die spanning is niet verkeerd. Dat is juist onze uitdaging. Zonder werken aan contact, verbondenheid, eenheid misschien, valt de wereld uit elkaar. Er is dan ook veel om dankbaar voor te zijn bij de eenheid die bereikt is, politiek, economisch, oecumenisch. Maar voor we het weten trappen in de andere val en zien we eenheid als het ideaal en verscheidenheid als het probleem. Ach, waren we maar allemaal hetzelfde… Een misvatting, zegt het verhaal van Babel. Een dwaalweg, zegt Pinksteren. We zijn niet geroepen om allemaal hetzelfde te zijn. We zijn geroepen in al onze verschillen – ras, afkomst, seksualiteit, jong en oud, man en vrouw. We zijn geroepen om de verschillen niet op te heffen, maar de veelkleurigheid van de schepping te vieren en elkaar recht te doen.
Is daarmee te leven? Valt zo’n wereld, zo’n kerk niet uit elkaar als ze de diversiteit viert? Misschien wel, als ze alleen maar accepteert dat ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. Als ieder zich in zijn of haar eigen kleine wereldje terugtrekt. Leefbaar en vruchtbaar wordt het pas als we allemaal onze eigen taal spreken en daarin elkaar opzoeken. Als we proberen elkaars taal te gaan verstaan en over en weer te delen wat we aan goeds ontvangen hebben. Als we getuigen van dat Koninkrijk waarover in alle talen verteld wordt.
Dan zou het kunnen zijn dat die andere stad ontstaat. Die stad die niet krampachtig gebouwd wordt uit angst voor de verscheidenheid, maar die neerdaalt uit de hemel. Een stad waar het niet gaat om de eenheid, maar om transparante muren en deuren waar je door kunt gaan. Het nieuwe Jeruzalem, stad van vreugde, stad van de Heer.
Amen
|