OVERDENKING
Vrijdag was mijn laatste werkdag vóór de Kerstdagen. Om half vijf zou ik moeten stoppen, want van de diaconie hadden we een kerstmaaltijd met de collega’s. Maar mijn inloopspreekuur op de Open Deur liep voller en voller. Ik zag die dag zeventien mensen.
De eerste was een illegale Afrikaanse vluchteling, die met twee gebroken voeten in het ziekenhuis opgenomen was, loopgips om één voet had gekregen en, zoals dat heet, in twee dagen werd gemobiliseerd, om nog net voor de Kerst met ontslag te gaan. Het ziekenhuis had, voor verdere revalidatie, een plek in de Gastenburgh, de ziekenboeg van het Leger des Heils, geregeld en ik kreeg een telefoontje dat hij in een taxi was gezet. Of ik hem daar kon opvangen en de taxi betalen. Zonder enige verdere hulp zag ik de man onwennig proberen op krukken de trappen op te komen. Gelukkig was er een primitieve lift. Toen ik een medewerker vroeg mee te helpen, wees hij op werking ervan en verdween weer. We moesten zelf maar zien hoe hij boven kwam en een plekje vond. Een volgende medewerker had alleen belangstelling voor de verwijsbrief van het ziekenhuis en de medicatie en verdween.
Zijn compassie en mededogen dan zelfs bij het Leger des Heils niet bij de prijs inbegrepen?
Ook ik moest hem achterlaten, want ik moest naar mijn inloopspreekuur op het Begijnhof.
Daar was het meteen al een komen en gaan van mensen uit de rafelrand van onze samenleving. Een door haar partner in de steek gelaten Marokkaanse vrouw en haar kindje, een aantal uitgeprocedeerde vluchtelingen, met hoop op het generaal pardon. Een Afrikaanse vrouw met aids. Ziek en geen permanente opvang, geen eigen plek. Afhankelijk van iemand die een tijdje onderdak biedt. Tegen betaling. Of in natura. Deel van, zeg maar, mijn doelgroep, slachtoffers van oorlogsgeweld of vrouwenhandel. Via een samenwerkingsverband tussen de Protestantse Diaconie en het Aidsfonds mag ik een groep illegale mensen met Aids helpen met een bijdrage in hun levensonderhoud. Ze komen naar het Kerkhuis, ons diaconale project in de Bijlmer, of naar de Open Deur, mijn pastorale aanlooplek op het Begijnhof. Sinds september zijn er al zo’n twintig mensen langs gekomen. Ik zie mensen, zoals ik ze twintig jaar geleden zag, doodziek, vermagerd, met de kaposi op hun huid. Ik had gedacht dat zo iets in óns land niet meer mogelijk was.
Deze vrouw straalde één en al wantrouwen uit. Ze wilde maar één ding: binnen drie weken een verblijfsvergunning of anders terug naar haar eigen land. Haar geduld was op, te lang en te zwaar op de proef gesteld. Een verdrietig hoopje mens, tussen twee onmogelijke dilemma’s: in de marge van onze samenleving wachten op een lange, nog onzekere procedure voor een verblijfsstatus op grond van medische behandeling of terug naar het land van herkomst. Terug betekent: de dood tegemoet gaan, want in haar land zijn geen voorzieningen, geen medicijnen, geen behandelingsmethoden beschikbaar om de ziekte Aids het hoofd te bieden. Door de lange voorgeschiedenis was haar energie op. ‘Laat de kerk maar een vliegticket voor me kopen, dan ga ik terug.’ Ze gaf het geld, dat ik haar gegeven had voor de huur van een kamer en eten, terug en vertrok, de donker wordende stad in.
Ik bleef achter met een machteloos gevoel, het gevoel niet meer te bieden te hebben dan een financiële bijdrage en wat aandacht, het gevoel niet door de ban van wantrouwen en verdriet heen te kunnen breken. Het liep al tegen vieren en er zaten nóg vijf mensen te wachten. Twee asielzoekers die, beiden na meer dan een jaar, uit vreemdelingenbewaring waren ontslagen.
Stel je voor, meer dan een jaar op een gevangenisboot in Rotterdam of in Kamp Zeist, alleen omdat je als vreemdeling niet langer gewenst bent. En dan vlak voor de Kerst op straat gezet geworden. En het verder zelf maar uit moeten zoeken. Aan de straat overgeleverd.
Toen iedereen de deur uit was, mocht ik me opmaken voor de kerstboodschap tijdens de maaltijd met de collega’s van de diaconie. Ik had niets kunnen voorbereiden. Ik kon ze alleen maar dóórvertellen wat ik had meegemaakt, net zoals ik dat vandaag aan jullie doe. Ik had natuurlijk vandaag kunnen kiezen voor een ‘Gloria in excelsis deo’-verhaal. Alles peis en vree. Een ‘alles komt toch nog goed op Kerstavond’-verhaal. Maar wij vieren Kerst vanuit een ander perspectief dan wat de commercie ons vandaag de dag doet zien en geloven: een feest met dure cadeaus en culinaire hoogstandjes. Wij vieren Kerst vanuit het perspectief van de lijdende Mens die de dood in de ogen heeft gekeken én overwonnen. Wij vieren Kerst vanuit het perspectief van Pasen. Dat je kunt opstaan uit de misère, nee, dat je uit de misère omhoog getrokken wordt. Het Kerstverhaal van Hij die redt, de Messias, de Kurios, de Heer, die wordt geboren in een armzalige uithoek van het toenmalige Romeinse wereldrijk, is het verhaal van de Man van smarten die door Pilatus, de stadhouder van de Romeinse keizer, tot de dood aan het kruis wordt veroordeeld, en de weg gaat van de grootste crimineel.
Maar het verhaal gaat verder: niet keizer Augustus met zijn pracht en praal, met zijn wil is wet, en zijn volgelingen met hun ‘bevel is bevel’ en ‘regels zijn regels’-verhalen, maakt de dienst uit, maar een kind, in doeken gewikkeld, liggend in een voederbak. Dat is het verhaal van de omgekeerde wereld. Met dat verhaal krijg je in deze tijd nauwelijks de handen op elkaar, want het lijkt op ene verhaal van ‘losers’ die elkaar voorspiegelen dat ze eigenlijk toch gewonnen hebben.
Het verhaal zegt: Wie wil weten hoe God redt, verwacht zijn heil niet van machthebbers, maar knielt neer bij wat kwetsbaar is. Die legt zijn bestaan in handen van Hem die het lijden van de wereld heeft gekend, op zich heeft genomen en doorstáán. Wie kan dát geloven? Hoe kan macht werken door een lijdende knecht? Dat werkt toch niet? Een mens die er niet uit ziet, die veracht wordt, en door zijn medemensen gemeden, een mens, verguisd en geminacht. Daar wil je toch niet bijhoren? Wie dáár bij willen horen zijn toch een stelletje mislukkelingen en masochisten. Je zoekt het lijden toch niet op?
En tóch, wij zitten hier als zelfbewuste homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Hoop ik. Wij mogen er zijn. Wij komen op voor onze rechten. We are proud to be gay. Hoop ik. Maar voor de ouderen onder ons is daar lijden aan vooraf gegaan. Want het was niet vanzelfsprekend, ook niet in Nederland, om als homoseksueel geaccepteerd te worden. Door je familie niet, door de kerk niet, door de overheid niet, door de samenleving als geheel niet.
Eeuwen geleden werden mensen in Amsterdam vanwege hun geaardheid geëxecuteerd.
En veertig jaar geleden moest je nog op verholen wijze bijeenkomen in het COC of de Odeonkring, bang voor een veroordeling op grond van artikel 248bis, seks met een minderjarige, ook al was je zelf 21 en de ander 20.
En twintig jaar geleden hadden wij als (toen nog) jonge theologen van gereformeerde huize moeite om in onze kerken beroepen te worden.
En vijftien jaar geleden bleek er nog een roze kerk nodig om ‘ons soort mensen’ uit de evangelische en charismatische kringen een vrije en blije plek van samenkomst te bieden.
En tien jaar geleden kon je in Urk genegeerd en uitgekotst worden vanwege je gevoelens.
Misschien ook nu nog, in Spakenburg, de Diamantbuurt of Slotermeer.
Nu zie ik homoseksuele christenen en moslims uit Afrika en het Midden-Oosten hun toevlucht zoeken tot ons land; ze hebben hun hoop gevestigd op onze traditie van tolerantie. Maar de meesten worden afgewezen. Geen plaats in de herberg, te vol. Angst voor vervolging is geen valide argument. Want zolang iemand zich maar gedeisd houdt, niet uit de kast komt, kan hij best overleven in het land van herkomst. Hetero-regelgeving voor blijf maar gewoon in de kast-homo’s.
Wie kan geloven in wat wij gehoord hebben? Wie gelooft in een ándere wereld? Luisteren wij met andere oren? Kijken wij met andere ogen? Hoeven we ons gelaat niet te verbergen? Hoeven anderen hun gelaat niet voor ons te verbergen, uit angst voor vernedering en afwijzing? Durven we onze nek uit te steken? Willen we mee-lijden en strijden voor een omgekeerde wereld, waar barmhartigheid en gerechtigheid de kenmerken van zijn?
Want het verhaal van de lijdende knecht is niet enkel het verhaal van een onbekend gebleven man uit de tijd van de ballingschap. Het is ook niet de oudtestamentische voorzegging van Jezus’ levens- en lijdensweg, al draagt het alle trekken ervan in zich, dat is opvallend.
Maar het is profetie: de oproep tot navolging, om als volk van God het lijden te durven verduren en het lijden van anderen op zich te nemen, opdat, ooit het licht doorbreekt: een aarde van vrede en recht, voor álle mensen.
Wie kan dat geloven? Wie durft? In Godsnaam.