Evangelische Roze Vieringen

Overdenking 'Liefde en lef'
bij Hooglied 5: 2-8

door Anna van der Maas

27 augustus 2006

Lezing:
Hooglied 5: 2-8

OVERDENKING

2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3 ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4 Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5 Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.

8 Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.

Geliefden van Jezus Christus,

een hoofd nat van de dauw
een ontklede minnaar
handen die druipen van mirre
een siddering van verlangen.

Erotische liefdespoëzie ín de kerk. Vandaag, uitgerekend nu we een dichter in ons midden hebben. Erotische liefdespoëzie uit de bíjbel nog wel, uit Hooglied. Dat boek dat in de kerk nogal eens overgeslagen wordt, omdat het verlegen maakt. Want de kerk, het geloof en de seksualiteit zijn werelden die nou niet direct innig met elkaar verstrengeld zijn. Toch staat het Hooglied in de bijbel. Dat kwam omdat een hoog aangeschreven rabbi zich er sterk voor maakte: Rabbi Akkiba. Volgens hem is er geen loflied dat God meer is toegewijd dan het Hooglied, omdat het zingt van de verhouding tussen God en volk Israël. Dat zijn de beide liefdespartners in het lied. Het lied bezingt een liefdesrelatie van zoeken en vinden, van verlangen naar vereniging en verwijdering, van intimiteit en verlatenheid.

Nog steeds wordt dit lied ieder jaar in zijn geheel gelezen in de synagoge. In de kerk zingt het Hooglied een beduidend toontje lager. Want, anders dan in het Joodsbijbelse denken ging de kerk onderscheid maken tussen lichaam en geest. De geest werd hoger gewaardeerd dan het lichaam, zozeer zelfs dat lichamelijkheid, lichamelijk genot, geassocieerd werd met een duivelse oorsprong. Zo kwam het dat Hooglied, een loflied over lichamelijke liefde een wapen werd in strijd tegen lichamelijkheid. Voorbeeld daarvan is de kerkvader Origenes. Hij zegt in een preek over het Hooglied: “Als deze zaken niet geestelijk worden verstaan zijn het dan geen fabels? Als zij geen geheim in zich dragen, zijn zij dan niet God onwaardig? Wanneer je een minnaar bent van het vlees, zul je de geestelijke liefde niet bevatten.” Hooglied kreeg haar plek in de bijbel en in de kerk, maar er werd wel een bepaalde uitleg aan verbonden: dat het een loflied was over de verhouding van Christus en de gemeente en nergens anders over!

En zo lezen we vandaag in de Evangelisch Róze Vieringen een gedeelte over het verlangen van een meisje, een jonge vrouw naar haar minnaar. Zou dat verhaal ook óns hier vandaag in deze setting iets te zeggen kunnen hebben? Laten we eens een poging doen en inzoomen op de scène die we zonet gelezen hebben. Aan het woord is een jonge vrouw, een meisje. Zij speelt de hoofdrol in Hooglied. Zij spreekt tegen haar vriendinnen over haar lief, haar minnaar van wie ze droomt. Ze spreekt van verlangen en gemis. En ze is vastbesloten om zich door niemand van haar zelfgekozen weg af te laten houden. Dan de scène die we gelezen hebben: Er staat een jongen voor de deur, haar minnaar. Hij staat daar niet zomaar. Daar is een uitnodiging van het meisje aan voorafgegaan. En ook hij heeft háár uitgenodigd. Vandaar de droom van het meisje dat de lang verwachte ontmoeting plaatsvindt. Ze vertelt over haar droom:

Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!:
“Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.”

En dan volgen een paar zinnen die traditioneel altijd aan het meisje worden toegeschreven:
“(Maar)ik heb mijn kleed al uitgedaan
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?”

Wanneer de jongen aanklopt, zou zij aarzelen, weigeren om de deur te openen. En dat zou de reden zijn waarom haar minnaar straks verdwenen is. De rollen zijn duidelijk. Zíj is het zedige meisje dat aarzelt ’s nachts een jongen binnen te laten. En híj de ongeduldige minnaar die, aangetast in zijn eergevoel, wraak neemt door ‘m te smeren. Een nogal moralistische en rolbevestigende uitleg. Bij Sytze de Vries kwam ik een andere uitleg tegen, die meer recht doet aan de logica van het Hooglied. Het meisje heeft hem toch zélf uitgenodigd? Zal ze dan moeilijk doen als hij wat laat komt en zeggen: “Het past me nu niet meer. Ik heb mijn kleren net uit en al gedoucht?” Het ligt meer voor de hand dat híj die woorden zegt:

“Kom, doe open (…),
Ik heb mijn hemd al uitgetrokken
en mijn voeten al gewassen.”

Met andere woorden: “Ik kan niet meer wachten.” Dat bouwt de erotische spanning op tot de climax, het beslissende moment waarop zíj de deur van het slot doet: een hand die druipt van mirre op de grendel van de deur.

Maar dan… een lege deuropening. Alles wat je zou verwachten, maar dat niet. Haar minnaar is er niet meer. Hij is weggegaan. Waarom wordt niet verteld. Geen enkele verklaring. Onbegrip is het gevolg. Hoe kán dit? Het is een vraag die je misschien herkent wanneer je zelf een geliefde verliest of bent kwijtgeraakt. Misschien kun je er allerlei redenen voor bedenken, maar het blijft in je malen. Waarom die breuk? Waarom die ongelijktijdigheid? Waarom die plotselinge dood? Feit is dat je alleen gelaten bent. Liefde is mooi, misschien wel mooiste wat er is. Maar het maakt je ook zo kwetsbaar en breekbaar. Het kan je de toppen van het leven doen ervaren, maar ook de diepste dalen van gemis. Nergens word je je eenzaamheid zo bewust als in de liefde. Liefde zoekt aanwezigheid, tastbaarheid, aan kunnen raken. Dat geldt niet alleen voor de liefde voor mensen, maar ook in de liefde tot God. Hoe vaak ervaren we God niet als de grote Afwezige? Waarom weten we niet.

Zwijgend en onvindbaar is Hij.
Zij is gegaan, mijn lief.

De liefde tot God is niet alleen hosanna, niet alleen vereniging, maar een relatie waarin vruchtbare en dorre periodes elkaar afwisselen, nabijheid en afwezigheid. Zo’n moment van afwezigheid wordt hier beschreven. En zij? Wat zal zíj doen, het meisje? Wat is haar reactie? Zij gaat de straat op. Stad en land zoekt ze af om haar geliefde te vinden. Zij waagt zich in het donker van de nachtelijke straten en gaat daarmee in tegen alle conventies en gewoonten. Wat zou haar daartoe de kracht geven? Waar haalt ze dit lef vandaan? Waarom geeft ze niet gewoon op? Zou dat zijn omdat ze intuïtief weet dat de liefde ook van de ándere kant komt? Dat hij wég was gegaan daar heeft ze geen verklaring voor maar van zijn liefde is ze zeker. Het is dát besef ‘bemind te worden’, dat haar rechtop doet staan. Dat geeft haar het lef tegen gewoonten en gevaren in, in het donker van de nacht op zoek te gaan. Op zoek naar de verbinding, niet alleen met haar geliefde, maar ook met anderen, met de dochters van Jeruzalem. Ze doet een beroep op hen om met haar mee te zoeken.

Zullen ze dat doen, de dochters van Jeruzalem? Zullen ze met haar mee zoeken? Op zoek naar haar geliefde? Of zullen ze haar tegenhouden? Haar beschermen tegen nog meer teleurstelling en pijn?
Wat zouden wíj doen? Laten wij onszélf eens in die situatie verplaatsen. Ook wij hebben weet van de liefde van God. Ook wij mogen ons ten diepste bemind weten door een geliefde die zichzelf voor ons gegeven heeft met haar en huid, in lichaam en geest. Liefde tot het uiterste. Liefde die zelfs de dood en verlatenheid overwint. En die Geliefde nodigt ons uit om die liefde te beantwoorden en ons daaraan over te geven. Dat is heel wat. Dat vraagt om geloof in een liefde die niet tastbaar is. Het vraagt om geloof in een liefde, die naast hoogtepunten ook dieptepunten kent, momenten van twijfel en ongeloof, wanhoop, droeve woede. Geen antwoord op je vragen. Zoeken dat geen vinden wordt.
Gaan we op de uitnodiging in? Je overgeven aan liefde, is dat niet het engste wat er is? Het is niet voor niets dat wij - in ons persoonlijk leven en in de kerk - vaak voor de rol van wachter kiezen. De wachters op de muren van de stad, die toezicht houden en het meisje verwonden. Controle houden over je verlangen, je niet laten gaan, voldoen aan de verwachting van de omgeving is veiliger dan keizen voor je verlangen. Vasthouden aan oude patronen is veiliger dan je hart volgen. Want hoe vaak is echte liefde niet veroordeeld? Ook in de kerk. Een gereformeerd meisje dat niet met een katholieke jongen mocht trouwen. Een homoseksuele man of lesbische vrouw die de eigen seksualiteit onderdrukt. Waarom? Iemand die na de dood van een partner een nieuwe relatie aangaat, en daarop aangekeken wordt. Hoe vaak is echte liefde en verlangen niet veroordeeld, in onszelf of in de ander? Waarom? Omdat we zélf iets van de wachter in ons hebben. Van de angst voor liefde in vrijheid. Van de angst voor vrijheid van de liefde. In onze angst voor de intimiteit met God, met de ander en onszelf staan we op wacht om de liefde in te dammen. Zo zijn vele deuren naar liefde dichtgegaan.

Maar er is ook een ándere mogelijkheid. Het meisje vraagt de dochters van Jeruzalem om met haar mee te zoeken in haar nachtelijke omzwervingen, in haar liefde die tegen alle conventies ingaat. En daar doet ze goed aan. Want in de liefde, in het toevertrouwen, in de overgave aan God en mensen hebben we elkaar nodig, om het vol te houden, om onze lef en onze liefde, om dat wat leeft in ons hart aan te boren. Daar mogen we elkaar op aanspreken. Omdat dát is wat ons bindt: de liefde van God die aan ons liefhebben vooraf gaat. Om antwoord te geven op deze liefde hebben we elkaar nodig, wanneer we zoekend zijn, aarzelend over onze identiteit en ons verlangen, in momenten van verlatenheid en wanhoop, maar ook om onze vreugde en ons verlangen te delen, te vieren. Laten we daarom in liefde en lef elkaar tot zegen zijn. Amen.


© 2006:Anna van der Maas/ERV, webmasters: Michael/Thom
De bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling © 2004 / 2007 Nederlands Bijbelgenootschap

terug naar de voorpagina  druk deze pagina af  zoek op deze site  ga naar de inhoudsoverzicht van deze site  stuur een email aan de ERV