OVERDENKING
Geliefden van God,
Het doet me altijd weer goed in deze vieringen: het zingen. Veelal uit volle borst, liederen uit allerlei bundels, gezongen door mensen van velerlei (kerkelijke) pluimage. Er zijn ook wel eens liederen bij, die ik niet voluit mee kan zingen, omdat ik ze niet ken of omdat ze niet aansluiten bij mijn gevoel of mijn geloof. Dan neem ik de vrijheid om even over te slaan.
Het kan ook gebeuren, dat emoties het zingen moeilijk maken, omdat je een brok in je keel hebt, vanwege het gedenken van een geliefde, vanmiddag of om een andere reden. Wellicht weet je je dan gedragen door het zingen van de anderen. En het kan zijn dat een lied je boven de pet gaat. Dat je de betekenis van de dichterlijke taal niet verstaat. Zo verging mij dat vroeger op school, toen ik psalmverzen op moest zeggen, op maandagmorgen. Een taal die nou niet direct op kinderen was afgestemd. Je leerde woorden waarvan je de betekenis niet begreep. Jarenlang heb ik zo mijn eigen versie van psalm 23 gezongen: ‘De Heer is mijn herder, Ik eet al wat ik lust.'
Frits Mehrtens, een kerkmusicus, vergeleek het psalmzingen van de gemeente eens met het volgen van een antislipcursus. Wanneer hij zichzelf in een psalm niet terug kon vinden
(omdat de woorden niet aansloten bij zijn gevoel), dan was dat voor hem geen reden om niet mee te zingen. Hij zei: het is toch goed om de psalmen te zingen en ze op te slaan in je geheugen. Net zoals je op een mooie zomerdag op de slipbaan alle handelingen in moet studeren om niet uit de bocht te vliegen bij een slip. Dat leer je namelijk niet pas op een winterse spiegelgladde weg, zoals de afgelopen dagen, wanneer het slechte weer je overvalt.
Psalmen en andere liederen kunnen je iets van ‘houvast' geven, iets vertrouwds om op terug te vallen op die momenten in je leven dat het stuur je uit handen dreigt te glippen.
De psalmen zijn het gebedenboek van de kerk. Ze reiken woorden aan om tot uitdrukking te brengen hoe je je voelt. Zo kan een psalm een schreeuw zijn uit de diepte, maar ook een loflied, waarin je boven jezelf uitzingt. Zo verschillend als de liederen die we zingen, vanmiddag, zo verschillend zitten ook wij hier, ieder met onze eigen gedachten en gevoelens. De één vol vreugde, de ander met verdriet. De een met een gevoel van verwachting, Advent, de ander teleurgesteld. Hoe dat ook zij, ieder is welkom, in het midden van deze gemeenschap en voor het aangezicht van God. Zonet hebben we een psalm gelezen, psalm 139.
Heer die mij ziet zoals ik ben
dieper dan ik mijzelf ooit ken
kent gij mij,
gij weet waar ik ga
Gij volgt mij waar ik zit of sta,
Wat mij ten diepste houdt bewogen,
't ligt alles open voor uw ogen.
Het is een psalm die niet bij iedereen favoriet is. Er zijn mensen die een opgejaagd gevoel krijgen bij het idee dat God alles van hen weet. ‘Gij volgt mij, waar ik zit of sta'. Dat kan een Big Brother idee geven, alsof je overal in de gaten gehouden wordt, alsof er continu camera's draaien die registreren wat je doet en je nergens met jezelf alleen kunt zijn. Mensen zijn wel bang gemaakt met zo'n Godsbeeld. Ouders die zeiden: ‘Pas maar op, God ziet alles!'
Een handige zet van ouders, als ze zelf ogen tekort komen. Maar het kan je opzadelen met het beeld van een controlerende, straffende God. Een God die pas van je houdt, als je precies in het straatje loopt en keurig voldoet aan de verwachtingen van je omgeving. Met als gevaar, dat je voorbij gaat aan wie je zelf ten diepste bent.
Dan het is goed om te weten dat het ‘kennen van God' in psalm 139 de betekenis heeft van ‘liefhebben'. Zo ervaart de psalmdichter het ook, niet als een gecontroleerd worden, ‘Ben ik wel goed genoeg?', maar als een gezien worden ‘Ik mag zijn wie ik ben!' (zelfs in die gedachten en gevoelens die mijzelf vreemd zijn of die verwarrend voor me zijn.) Is dat niet een behoefte, een verlangen van ieder mens? Gekend en bemind worden, zoals je bent. Of je nou homo bent of hetero, jong of oud, wanneer het je goed gaat, maar ook in tijden van verdriet en rouw. Misschien zeg je: ‘Dat is wel mooi, zo'n God die weet wat er in mij omgaat, zo'n God die mij volgt, waar ik zit of sta, maar ik zou ook wel eens willen dat God me zegt wat ik moet doen, dat God het stuur in mijn leven even van me overneemt, dat ik een duidelijk antwoord krijg op mijn gebed. Het blijft zo stil aan de andere kant.'
Hoe anders is dat als je aan mensen je verhaal doet. Dan krijg je zomaar een advies of een oplossing aangereikt, ook als je er niet om gevraagd hebt. Want, hoe moeilijk is het om alleen maar te luisteren, om die ander haar verhaal te laten doen, om te luisteren zonder te oordelen, zonder je eigen verhaal ernaast te leggen, zonder te zeggen wat iemand moet doen of laten of hoe de ander zich moet voelen of juist niet. Het is moeilijk om het met de ander uit te houden als het donker is. Het ervaren van de pijn van de ander kan je een gevoel van machteloosheid geven. Na een half jaar rouwen of een jaar, dan vindt de omgeving het na een half jaar of een jaar vaak wel genoeg. Iemand schreef eens:
Misschien is dat een reden
waarom voor sommige mensen bidden werkt,
omdat God niks terugzegt,
en Hij geen adviezen geeft
of probeert om de dingen voor je te regelen.
Hij luistert alleen maar en vertrouwt erop
dat je er zelf wel uitkomt.
(Leo Buscaglia)
Mensen die rouwen, zeggen nogal eens steun aan hun geloof te hebben. Vaak niet in de zin dat God alles oplost en ook niet doordat je een antwoord krijgt op al je vragen. Blijkbaar kan God ook nabij zijn zonder woorden, zonder antwoorden, zonder oplossingen. Hoe dat kan?
Misschien is het antwoord op die vraag: omdat God het met ons uithoudt, ook als het donker is in ons leven, omdat het duister voor God niet donker is. De psalmdichter zegt daarover:
Al zei ik: laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht,
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn
De nacht zou oplichten als de dag,
Het duister helder zijn als het licht.
Het doet me denken aan het weer van de afgelopen week. Die donkere luchten, donkergrijs en bruin, dreigend. Grote strepen regen door de lucht. Hagel en sneeuw die koud voelt op je hoofd. De wind die door je heen blaast en dan ineens, onverwacht tekent zich tegen de zwarte lucht een regenboog af. Wonderlijk vind ik dat, zo'n regenboog, iedere keer weer. Pakken kun je hem niet, ernaartoe rijden ook niet, aanraken niet, en toch is hij er. Een veelkleurig licht doorbreekt de donkere lucht.
Is het zo niet ook met God? Dat God zélf licht is en het daarom met ons kan uithouden in onze duisternis? Ons duister is voor God niet donker. In het duister blijft God nabij en omstraalt ons met licht, het ware licht dat ieder mens verlicht, ook als we dat niet ervaren kunnen, niet pakken kunnen. Die Nabije die bij ons is als het donker is, is soms ook een vriend, een vriendin, een buur, een familielid, iemand die niet wegloopt als je rouwt, als je in een crisis zit. Iemand die met je blijft wachten door de crisis, door de rouw heen op een beetje licht.
Eigenlijk is dat ook de boodschap van Advent. Dat we samen waken, wachten op het licht dat komt. Daarom ontsteken we hier in deze kring het licht. Het licht van de paaskaars, teken van het licht van Christus, het licht dat naar de wereld kwam. Het licht van Advent, als teken van het licht dat doorbreekt in de nacht. Het licht dat sterker is dan het duister. En een licht voor de overledenen die wij gedenken als teken dat wij ons geborgen mogen weten in het licht van de Eeuwige, in leven, in sterven en voorbij de dood.
Trouwe God,
laat dan de zon van uw aangezicht over ons opgaan.
En zegen ons allen met het licht van uw ogen.
Amen.