|
Lukas 1: 26-33
Aankondiging van de geboorte van Jezus
26 In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea,
27 naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.
28 Gabriël ging haar huis binnen en zei: `Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.'
29 Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.
30 Maar de engel zei tegen haar: `Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.
31 Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.
32 Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.
33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.'
Lukas 1: 46-55
46 Maria zei:
`Mijn ziel prijst en looft de Heer,
47 mijn hart juicht om God, mijn redder:
48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam. 50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie hem vereert.
al Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
52 heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,
zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:
hij herinnert zich zijn barmhartigheid
jegens Abraham en zijn nageslacht,
tot in eeuwigheid.'
|
In de Gay Krant staan wij in de agenda van vandaag naast de aankondigingen van onder meer een Arabian dance party in het COC, shining stars in de Lellebel en Xmas ball 2 in de Cockring.
Wie niet blijft mee-eten, kan te kust en te keur elders terecht.
In een aparte aankondiging kopte dezelfde krant als thema van onze Kerstviering: ‘Moeder maakt de dienst uit'.
Dat is een aardig bedachte, maar theologisch onjuiste interpretatie van het thema van deze dienst.
Net zo onjuist als mijn eerste associatie bij het thema: ‘Laten we elkaar mietje noemen.'
Want mietje is geen verbastering van de naam Maria.
Marie, Mies, Miep – die allemaal wel, maar mietje niet. Dat komt van sodomie.
In etymologische zin hebben wij dus niets met Maria, tenzij we zélf naar haar vernoemd zijn. In theologische zin wel! Maar dan als afgeleide:
wij ‘hebben' wat met Maria, omdat we wat ‘hebben' met de zoon van Maria.
We weten maar weinig van haar, omdat er in de Bijbel weinig over haar wordt verteld.
In het veel latere proto-evangelie van Jacobus wordt verteld dat Anna en Joachim haar moeder en vader waren en dat ook Maria als klein kind al naar de tempel was gebracht om daar op te groeien.
In de kerkgeschiedenis zie je een boeiende beweging. Maria wordt als het ware steeds meer opgehemeld.
Omdat zij een heilig kind ter wereld heeft gebracht, moet zij zelf wel heilig zijn. En omdat zij zo heilig is, kan zij niet gewoon gestorven en begraven zijn, maar ook ten hemel opgenomen.
In de Begijnhofkapel heeft een paar jaar geleden het schilderij van Maria Hemelvaart de centrale plaats boven het altaar gekregen en moest het schilderij van de opstanding van Jezus ervoor wijken.
Maria heeft over de hele wereld een plek in de volksdevotie gekregen: ze was zélf moeder, ze heeft haar zoon zien lijden, ze heeft het aan den lijve gevoeld: dat ‘zwaard door haar ziel' (‘als door een zwaard doorstoken', zegt de Nieuwe Bijbelvertaling).
Daarmee is ze een voorbeeld voor mensen die onrecht of onbegrip ervaren, of die lijden aan het leven zelf. Ze is toegankelijk, omdat ze gevoelsmatig zo dichtbij is: Ave Maria.
Op de website van de Amsterdamse Vredeskerk trof ik het volgende gebed tot Maria aan:
Wees gegroet, koningin, moeder van barmhartigheid;
ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva;
tot u smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen.
Daarom dan, onze voorspreekster,
sla op ons uw barmhartige ogen;
en toon ons, na deze ballingschap,
Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot.
O, goedertieren, o liefdevolle,
o zoete maagd Maria.
U groeten wij, Maria, koningin en moeder vol goedheid.
Bij u vinden wij het leven, de vreugde en de hoop.
Wij roepen u aan op onze pelgrimstocht.
Wees de lijdende mensheid nabij.
Gedenk ons, zie barmhartig op ons neer
en leidt ons door het leven naar Jezus, uw Zoon.
Moeder vol goedheid en liefde, heilige maagd Maria;
Tot u nemen wij onze toevlucht:
wees onze bescherming, heilige moeder van Jezus,
wijs onze gebeden niet af als wij in nood zijn,
maar verlos ons uit alle gevaren,
gij glorierijke en gezegende maagd.
Het evangelie tekent voor mijn gevoel een meer sobere én strijdbare vrouw.
Als de engel Gabriël, de gabber van God, haar toeroept: ‘Gegroet, Maria, jij bent begenadigd, de Heer is met je', dan weet zij eerst niet wat ze met zulke grote woorden aan moet:
‘God heeft jou zijn gunst geschonken, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.
Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. (…)
Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn.'
Het antwoord van Maria is onthutsend eenvoudig:
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.'
Maar ze zal, in het huis van Elisabet, een Magnificat zingen, waarin ze in de traditie van psalmdichters en profeten God lof zingt om wat Hij doet en wie Hij is:
Een barmhartige redder, die heersers van hun troon stort en aanzien geeft aan wie gering is.
Die met gaven overlaadt wie honger heeft, maar rijken weg stuurt met lege handen.
Die Maria maakt bij mij meer los dan de opgehemelde lieve vrouwe uit de traditie.
Die Maria wijst niet naar zichzelf, maar verwijst naar de machtige daden van God.
Niet Maria zal de lijdende mensheid nabij zijn, maar God.
Niet moeder Maria maakt de dienst uit, maar de Eeuwige, die barmhartig is en redden zal.
Voor wie in het duister zitten, in de schaduw van de dood, in schreeuwende of stille armoede, voor buitengesloten asielzoekers en gemartelde gevangenen, zijn de woorden van Maria een teken van hoop.
Voor wie zich in hun leven miskend voelen, vernederd, achtergesteld, aan hun lot overgelaten, zijn dit inspirerende woorden.
Maar voor de hebbers, de graaiers, de hufters en de patsers niet.
Het Magnificat van Maria is een bedreiging voor dictators, voor economische machthebbers, en voor mensen die anderen gebruiken als koopwaar.
Voor hen die over lijken gaan. Voor terroristen in alle soorten en maten.
Hun imperiums, hun koninkrijkjes zullen vallen.
Maar wat betekent dat vandaag voor de mensen die ik in mijn werk tegenkom?
De vluchteling, die elke nacht wreed ontwaakt uit een nachtmerrie waartegen ook antidepressiva en mogadon niet opgewassen zijn? Die telkens weer de beelden voor zich ziet van lijken die hij als kindsoldaat naar een massagraf moest slepen.
De illegale kinderen die elke dag in onzekerheid verkeren of de vreemdelingenpolitie ze gaat uitzetten naar een land dat ze alleen maar uit de verhalen van hun ouders kennen?
De slachtoffers van vrouwenhandel en prostitutie?
Waaraan kunnen zij hoop ontlenen? Het kan toch niet zo zijn dat slachtoffers enkel terechtkomen op de mestvaalt van de geschiedenis?
Wie pakt het onrecht aan, als er geen mensen zijn die van aanpakken weten?
Wij hebben wat met de woorden van Maria omdat we wat hebben met de zoon van Maria.
Maar de zoon van Maria had een moeder. Jezus is als het ware ook niet los verkrijgbaar.
Ze heeft hem gevoed en opgevoed. Ze heeft voor hem gezorgd en hem zorg bijgebracht.
Misschien heeft zijn moeder hem wel met de paplepel ingegoten hoe barmhartig God is,
hoe wonderlijk zijn wegen zijn, dat machtigen niet meetellen, maar juist kwetsbare mensen kostbaar zijn in Zijn oog.
Misschien heeft ze hem de liederen van bevrijding voorgezongen.
Misschien heeft Maria Jezus voorgeleefd hoe je als vrome jood het bevrijdingsverhaal van de eeuwige, geprezen zij zijn Naam, gestalte mag geven in je eigen leven en in dat van anderen.
Misschien heeft Jezus van zijn moeder Maria wel afgekeken dat je hongerigen te eten geeft en dorstigen een beker water, dat je vreemdelingen gastvrij opneemt en kleding geeft aan wie niet heeft, en dat je zieken en gevangenen opzoekt.
Dat Maria de moeder van Jezus is, brengt Jezus dichtbij.
De zoon van de Allerhoogste is een mens van vlees en bloed. Een mens met een moeder.
In mijn eigen leven was mijn moeder voorbeeldig, ook al heette ze geen Maria, maar Teuna.
Misschien heeft niet iedereen hier een goede herinnering aan zijn of haar moeder. Je kunt ook in je moeder teleurgesteld zijn, omdat jij niet aan haar verwachtingspatroon kon voldoen, of zij niet aan het jouwe.
Omdat ze je levenswijze afkeurde of niet begreep.
Vandaag zeg ik tóch: Je moeder heet Maria omdat jij een broeder of zuster mag zijn van de zoon van Maria.
Jezus zegt verderop in het evangelie: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.' (Lucas 8, 21)
In deze kerk weten we ons met elkaar verbonden als broeders en zusters van Jezus Christus.
Dit mag een plaats van heil zijn, een broedplaats van vriendschap en medeleven.
Hier weten we ons gekend, als mensen die er mogen zijn, zoals we zijn.
Niet alleen als zoon of dochter van Maria, of als broer of zus van Jezus, maar vooral als kinderen van de Allerhoogste, die zich erbarmt over ons allen.
Laten we elkaar geen mietje noemen. |