OVERDENKING
Ze
wonen in een houten optrekje in de zwarte township Guguletu in de buurt
van Kaapstad, Zuid-Afrika. Een sterke wind kan het hele bouwsel doen instorten.
Het staat naast een ijzeren container waarin voorheen nucleair materiaal
werd opgeslagen. Je moet er maar moeten wonen. Lusapho, een magere jongeman,
en Bulewa, een stevige jonge vrouw waar hij wel twee keer in past, zijn
de hoofdbewoners. Er scharrelt nog een kind rond, van de vriendin van de
vrouw. Ze wonen, koken, eten en slapen met zijn vieren in één
kleine ruimte. Regelmatig komen er nog wat mensen bij. Jonge mensen, verstoten
door hun families, die niet accepteren dat ze homoseksueel zijn. Lesbische
vrouwen worden regelmatig in elkaar geslagen en verkracht door mannen die
denken dat homoseksualiteit er op zo’n manier wel uit te rammen is.
En homoseksuele mannen vertellen hoe ze op vergelijkbare wijze vernederd
en gemolesteerd worden.
Kwetsbare mensen die worden verstoten en veracht, en tegelijk sterke mensen
die zich er niet onder laten krijgen.
Komt, verwondert u hier, mensen.
Kwetsbaar is hij, een vluchteling die als minderjarige asielzoeker naar
ons land gekomen is, en overal te horen kreeg: ‘Jij hoort hier niet,
ga weg, stuk ongeluk.’ Dat had hij van jongs af aan ook al gehoord:
jij hoort niet bij ons, je was niet gewenst, je was een ongelukje. Als
kind mishandeld, misbruikt, afgedankt. Nooit iemand die écht aandacht
had, mééleefde, tijd gaf.
Ziet hoe dat u God bemint? Hoe kun je je door God bemind weten, als er
nooit van je gehouden is. Wat moet je sterk zijn om er dan tóch
niet onderdoor te gaan! Hoe houd je het vol? Na negen moeizame maanden
van vertrouwen winnen, lijkt hij te ontdooien. ‘Ik was voor het
eerst écht blij’, vertelde hij pas.
Komt, verwondert u hier, mensen.
Even zo verwonderlijk is de kwetsbaarheid van de twee mensen, waar Matteüs
aan het begin van zijn evangelie over vertelt. Jozef en Maria. Hij is
rechtschapen, zegt Matteüs. Dat blijkt uit zijn ge-hoor-zaamheid:
hij geeft gehoor aan een ándere stem. Hij wil Maria niet alleen
niet in opspraak brengen, hij laat zich ook gezeggen door een engel van
God, die een geheim onthult: het kind dat ze draagt, is verwekt door de
heilige Geest. Het is een bijzonder kind. Alsof niet ieder kind een bijzonder
kind zou zijn. Alsof niet ieder kwetsbaar mensenkind een kind-van-God
zou mogen heten.
Jozef laat het zich gezeggen, hij laat zich vóórzeggen dat
de weg van God niet gaat via keurig aangeharkte burgerlijke paden, maar
met horten en stoten, met haken en ogen.
Het afstammingsverhaal van het kind dat Jezus wordt genoemd, loopt langs
de lijn van de adoptie. Hij is via Jozef de zoon van David én de
zoon van Abraham. Hij staat via Jozef in de lijn van de koningen van Israël
én in de lijn van de vader van alle volkeren.
‘Hij zal bevrijden’ is niet gebonden aan geijkte patronen,
maar komt via een grillig patroon gaandeweg de mensengeschiedenis binnen.
Hij komt daar binnen, waar hij zó en niet anders wordt ontvangen.
De verhaallijn van Matteüs loopt via Juda, die dacht een avontuurtje
te beleven met een hoer, maar in feite met zijn schoondochter Tamar naar
bed ging. De lijn loopt via Rachab, die echt in de prostitutie zat, maar
twee bezoekers uit den vreemde verborg en liet ontsnappen langs dat rode
koord en zo beschermde tegen hun vijanden. De lijn loopt via Ruth, een
allochtone vrouw uit Moab. Nóg één die ‘vreemd’
bloed in de afstammingslijn van Jezus inbracht. De lijn loopt via Batseba,
die zo begeerlijk was in de ogen van David dat hij, om haar te bezitten,
haar man Uria moedwillig aan het front liet omkomen.
Het is geen keurige genealogie, maar een afstamming van deugnieten én
sterke vrouwen.
Komt, verwondert u hier, mensen.
In die lijn staat Jozef die wél rechtschapen is. Is hij een doetje
die over zich laat heenlopen?
Hij is een dromer, net zoals die illustere naamgenoot die door zijn dromen
de werkelijkheid kon ombuigen van heilloze naar heilvolle toekomst. Jozef
hoort in zijn droom een boodschapper van de Eeuwige hem de waarheid verkondigen,
de waarheid dat Gód de schepper is van het kind dat Maria draagt.
En Maria? Is Maria méér dan een draagmoeder? Eigenlijk vertelt
Matteüs weinig over haar.
Hij laat haar, anders dan de evangelist Lucas, niet aan het woord komen.
Er klinkt geen Magnificat, er komt geen woord uit haar mond, ze geeft
niet haar fiat aan de engel Gabriël.
Maria zwijgt. Wie zwijgt, stemt toe? Het is alsof zij alles lijdzaam ondergaat.
Alsof het gewoon aan haar geschiedt, alsof het zo moet gaan: zwanger raken,
een kind dragen en baren.
Maar het is ongewoon wat er geschiedt: zwanger door de heilige Geest,
een zoon van God.
Het is ongewoon wat er gebeurt: dat Jozef zijn vrouw niet verstoot, zelfs
niet heimelijk.
Dat hij in die droom vérder leert kijken: een kind, een zoon, niet
van hém maar van God.
Dat hij Maria bij zich neemt als zijn vrouw zonder zijn eigen potentiële
rechten op te eisen.
Dat zij samen de ongeëffende weg gaan met een kind dat Jezus zal
heten en zijn volk zal bevrijden van hun zonden.
Het moet voor Jozef en Maria ongedacht en ongehoord geweest zijn: overladen
te worden met koninklijke geschenken van wijzen uit het Oosten en voor
koning Herodes op de vlucht te moeten gaan naar Egypteland, land van de
dood. Stel je voor: je vlucht uit het beloofde land wég naar het
land van ooit de slavernij.
Maar Maria draagt een kind met een beloftevolle naam: Immanuël zal
het kind heten, overeenkomstig de profetie. Immanuël: God met ons.
Niet als een randschrift op een munt, laat staan op een koppelriem van
een soldaat. Daar wordt God voor een wagentje gespannen.
God-met-ons kan alleen waar worden, als het waargemaakt wordt in een mensenleven.
In het leven van Jezus. De naam zegt wie hij is, is opdracht en levensdoel.
Het gaan van de weg zonder angst, want God is immers met hem. Of is dat
te snel gezegd? Want Jezus/Immanuël vroeg op het cruciale moment
van zijn leven, hangend aan een kruis, zich af of God wel met hem was:
Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?
Hij wordt genoemd Immanuël: God met óns. Niet: God met mij. Het is geen op het individu toegesneden garantiepolis. Het is een solidariteitsverzekering. Het geschiedt daar waar mensen oog hebben voor elkaar, hart hebben voor elkaar, solidair zijn met elkaar, gastvrijheid beoefenen met elkaar. Bedoeld om gered te worden van de zonde: de zonde van het egoïsme, van de inhaligheid, van het ‘ieder voor zich’, van het vijanddenken, van het uitsluiten van anderen, van het ‘na ons de zondvloed’.
Immanuël bleek te vinden in Bethlehem. In het broodhuis. Nog steeds.
Daar waar het brood gedeeld wordt, is God met ons. Overal waar mensen
instaan voor elkaar, kom je Immanuël tegen. Daarom moet Immanuël
ook te vinden zijn in Mokum. Ik ken een Surinaamse vrouw, Regina, die
in de Bijlmer op haar vierpits gasstel maaltijden kookt voor 200 daklozen.
Ze is een voedselbank begonnen, waarmee ze zorgt voor zo’n 350 gezinnen
die leven onder het bestaansminimum. Ze doet dat, omdat ze dat aan God
heeft beloofd, toen ze verlamd in een rolstoel zat en tot niets meer in
staat leek, maar weer beter werd, dat zij haar leven aan God zou wijden.
Ik weet dat Steve, een Afrikaanse pastor, in de startblokken staat om
begin volgend jaar een soortgelijk initiatief te nemen in Oud-West.
En zo zijn er overal in de stad initiatieven, van De Haven van het Leger
des Heils tot de inloophuizen, van Oudezijds 100 met hun Kruispost tot
de Werkgroep Opvang Uitgeprocedeerden om mensen in acute nood bij te staan.
Nederlanders en medelanders, vluchtelingen en migranten. Overal is iets
van dat God-met-ons te herkennen.
Wij kunnen niet zonder Immanuël. Zeker nu in onze stad de angst lijkt te regeren. Nu er meer aandacht lijkt te zijn voor de dreiging van terrorisme dan voor kinderen in de knel. Voor alle kinderen, klein en groot, die Gods mensenkinderen zijn, of ze nu christen, jood of moslim zijn, of ‘heiden’. Maar Immanuël is te vinden in Mokum en op elke plek waar God en mens elkaar willen ontmoeten, overal waar twee of drie bijeenkomen in de Naam van Jezus. Daar waar wij leven op een manier die uitstijgt boven onze alledaagse angst en sores. Overal waar we elkaar met respect bejegenen, waar zorg is en aandacht, waar mannen die geen vader zijn tóch vader kunnen worden voor een verweesd kind, waar vrouwen die geen moeder zijn een kind kunnen dragen als was het haar eigen.
Ik heb geen vrouw, geen kind. Mijn leven is anders gegaan. Niet volgens geijkte paden. Ik geloof dat de Eeuwige mij kent en mij zo heeft gewild. Ik mag leven volgens mijn eigen aard én durf geloven dat ik leef naar zijn beeld. En dat ik zó een gezegend mens ben. En dat ik zó gezegend word dat ik het gevoel heb dat ik steeds meer vader word. Jij bent mijn vader, zeggen vluchtelingen die op mijn weg komen. ‘Kijk, dat is opa’, zei één van hen tegen haar dochtertje, en ze wees op mij. (Ik geloof niet dat ik dáár op zat te wachten.)
God-met-ons reikt verder dan Bethlehem en Mokum alleen. Want de Eeuwige
strekt vol erbarmen zijn vader-armen over zijn wereld uit. Daar waar wij,
als zijn mensenkinderen, onze armen uitstrekken naar de ander. In zijn
Naam: Immanuël.
Komt, verwondert u hier, mensen. Ziet hoe dat u God bemint.