| Evangelische Roze Vieringen | ||
Overdenking bij Jesaja 9:1-6 en Matteüs 1:18-25door Cor Ofman25 december 2003 |
||
Lezingen: |
OVERDENKING |
|
|
Jesaja 9:1-6 Matteüs 1:18-25 |
Het hoge woord is eruit: Jamai is één van ons. Hij heeft in een radioprogramma toegegeven dat hij op jongens valt. 'Hij zingt er niet minder om', was het nuchtere commentaar van een kind op het Jeugdjournaal. Fijn dat jongeren van nu een rolmodel hebben in de winnaar van Idols. In mijn tijd moest ik het doen met Albert Mol. Dat was nou niet meteen het type waarop ik wilde lijken en heeft me gelukkig ook niet gemaakt tot wie ik ben. Ik ben, geloof ik, door de genade van God zo geworden als ik ben. 'In de schoot van mijn moeder geweven', zegt de psalmdichter. Géén weeffout, maar door God zó gewild. Dat geloof ik. Mijn vader was zó oud dat hij mijn grootvader had kunnen zijn. En toen ik geboren werd was mijn moeder op een leeftijd dat je tegenwoordig minstens een vruchtwaterpunctie zou laten doen om zeker te weten dat het geen kind met het syndroom van Down zou worden. Ik was natuurlijk een wolk van een baby, een gedroomd kind. En ik moet zeggen, tot mijn dertigste ook redelijk aantrekkelijk. Mijn wordingsgeschiedenis, mijn genesis, is dat ik ervaren ben als een Godsgeschenk. En ook toen ik anders bleek te aarden dan mijn moeder had verwacht, anders dan een man die zijn vrouw aanhangt, was zij, na een eerste verwondering, blij met mijn andere aanhang. 'Als God jou zó gemaakt heeft, zal Hij daar zijn bedoeling mee gehad hebben', schreef ze ooit. En toen ik in de jaren tachtig pastor was voor mensen met HIV en Aids, zei ze: 'Misschien was dát de bedoeling van God.' Niet dat Aids een straf van God zou zijn, maar dat juist mensen met Aids aandacht en zorg behoeven. En dat ik die aandacht en zorg mocht geven. Soms denk ik dat mijn wordingsgeschiedenis mij gevoelig heeft gemaakt voor mensen die kwetsbaar zijn. Mijn ouders zijn mij daarin voorgegaan, in een geloofsgeschiedenis waarin de aandacht voor de naaste centraal stond. Volgens de gereformeerde opvoeding volgens de richtlijnen van de pedagoog Waterink ging ik 'aan moeders hand tot Jezus'. Ik denk dat van jongs af aan Jezus mijn 'idol' was. Zijn wordingsgeschiedenis, zijn genesis, wordt door de evangelist Mattheüs heel anders beschreven dan door Lucas. Geen woord over een volle herberg, een kribje als rustplaats, en herdertjes die bij nachte lagen, maar het verhaal van Jozef en een gedroomd kind. Jozef speelt in het hele evangelie geen rol, alsof hij na de ouverture het verhaal uitgeschreven is. Maar toch is hij de smaakmaker, want hij zal de naamgever zijn, degene die de naam van het kind uitroept: Jesjoe: de Eeuwige redt. De naam Jozef herinnert aan Jozef, de meester-dromer, die zoon van Jakob die zijn familie zou redden van de hongerdood. Die door de diepte heen moest, in de put gegooid en verkocht door zijn broers als een slaaf, en bijna verkracht door de vrouw van zijn meester, in het gevang gegooid en weer omhoog getrokken, opgeklommen tot onderkoning van Egypte. In dat Genesisverhaal wordt Jozef getekend als een man, die niet over de schreef gaat, maar een oprechte is, een rechtvaardige. Zo ook Jozef van Nazareth. Een timmerman. Ik heb de plek gezien waarvan gezegd wordt dat het zijn timmerwerkplaats was, een grot, waar een kerk overheen gebouwd is. Hij was de vader, in de ogen van zijn naaste omgeving. Daar twijfelde niemand aan. In de bijbel kom je ook niet de gossip tegen als zou een Romeinse soldaat de verwekker van het kind geweest zijn. Verderop in het evangelie zullen de dorpsgenoten na afloop van een bijeenkomst in de plaatselijke synagoge over Jezus zeggen: 'is dit niet de zoon van de timmerman? We kennen toch z'n moeder en zijn broers bij name. En horen zijn zusters niet bij ons?' Maar het evangelie maakt duidelijk dat Jozef niet de vader is, althans niet degene uit wie het kind geschapen is. De Schepper, waar het eerste bijbelboek Genesis over spreekt, is volgens de beschrijving van Mattheüs óók de Schepper van dit kind. Zoals de Geest van de Eeuwige over de oervloed zweefde en aarde schiep, zo wekt de Geest ook leven in Maria. Zoals God aan het begin staat van de wordingsgeschiedenis van de aarde, staat Hij ook aan het begin van de wordingsgeschiedenis van Jezus. Eigenlijk volgt Mattheüs de verhaallijn van de Tora als hij de contouren schetst van het leven van Jezus. Er gebeurt wat menselijkerwijs gesproken niet kan. Gód staat aan de wieg van het leven. Dat is een geloofsuitspraak. God staat aan het begin! Ik ken het levensverhaal van een man, die daar mee worstelt. Zijn wordingsgeschiedenis is dieptragisch. Hij is geboren tijdens de Tweede Wereldoorlog als de zoon van een Japanse soldaat en een Indische vrouw. En hij is vanaf zijn geboorte weggemoffeld. Als baby meteen geadopteerd door een echtpaar, maar niet als werd het hun kind. Hij werd hun slaafje. Zijn plaats was al snel de stal waar ook de varkens huisden die hij moest hoeden. Hij was speelbal van andere huisgenoten die hem gebruikten en misbruikten. Zijn echte ouders heeft hij nooit gekend. 'Ik ben niemand', zegt hij. Stond God dan niet aan zijn begin? Keek de Eeuwige de andere kant uit, toen hij in het verborgene werd gemaakt? Wendde de Schepper zijn ogen af bij zijn vormeloos begin? Wie is de boodschapper van het evangelie dat ook zijn leven in Gods hand ligt en kostbaar is in Zijn ogen? Is er een engel die dat als goed nieuws verkondigt? Hoe kan God een Vader voor je zijn als je nooit een vaderlijke hand hebt ervaren? Ménsen moeten voor elkaar tot vader zijn en het leven als geschenk van God dóórgeven. Jij bent niet 'niemand', je bént 'iemand', jij mag er zijn, zoals je bent! Over jouw leven mag de Naam worden uitgeroepen. Je mag leven uit de belofte. Vanwege die naam boven alle naam: Jesjoe, God redt. De waarheid is aan de droom! Geloof je het niet? Kijk dan naar de functie van de bijbelse profetie. De profeten waren geen waarzeggers, sterrenwichelaars of horoscooptrekkers, maar vóór-zeggers van het rijk waar God koning is. Ze stelden zich kritisch op tegenover alles wat zich als macht aandiende die zich niet bekommerde om de armen en de kwetsbaren. De profeet Nathan zegt tegen koning David: jij bent als de man die om zijn gasten te eten te geven het lammetje van zijn knecht laat slachten, terwijl hij zelf veel schapen en runderen bezit. De profeet Jesaja zegt hardop dat je vluchtelingen moet verbergen als hun positie bedreigd wordt. De profeet Amos roept uit: zoek de Heer en leef, opdat Hij niet als een vuur in het huis van Jozef vaart en het verteert, terwijl er geen blusser zal zijn. Profeten zeggen vóór: ze zeggen dat de wereld van onze dagen een omgekeerde wereld wordt, een aarde van Gods welbehagen. Dat elke schoen die dreunend stampt en elke mantel in bloed gewenteld, zal worden verbrand, prooi van het vuur. Dat de werkelijke heerschappij rust op de schouders van een Kind. Een Kind dat getooid is met de namen: wonderbare Raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst. Dat Kind is geworden door de vurige liefde van God zelf. In die traditie staat Mattheüs en hij verkondigt ons dat 'het liefste van God' onder ons is komen wonen. Als Eén van ons. Als Immanuël: God mét ons. Zó menselijk in ons midden. Roepnaam: Jesjoe. Jezus. Vernoemd naar Jozua. Die vooropging om het land van de belofte te betreden. Jezus. Die in zijn doen en laten heeft laten merken dat mensen niet worden beoordeeld op grond van hun afkomst, of de kleur van hun huid, of hun seksuele oriëntatie. Zijn Koninkrijk van vrede en recht begint dáár waar niemand 'niemand' is, maar altijd: een mens om van te houden en tot liefde in staat. In Jezus, zegt de christelijke traditie, is Gods belofte heerlijk vervuld. En óns heeft Hij hart, hoofd en handen gegeven om dat verder gestalte te geßven. God houdt van jou en jou (en van Jamai). Gezegend ben je als kind van God om voorop te gaan in de dienst van de bevrijding, gezegend ben je om vóór te zeggen in de dienst van het protest tegen alle onrecht op aarde, gezegend ben je om vóór te leven in de dienst van de liefde. En God zal met je zijn! |
|
© 2003: Cor Ofman/ERV, webmasters: Michael/Thom | ||